Voorgelezen in Milonga II – intro winddans en Hoadley

Na de les bleef Adama als enige achter in de danszaal. ‘Goed gedaan, Adama’, zei Raeka. ‘Maar blijf oefenen als je wilt meedoen met de uitvoering. Tot ziens.’
‘Tot ziens’, zei Adama en zakte op de grond. Ze moest blijven oefenen om mee te doen met de uitvoering? Maar ze wilde in de selectieklas!
Ze had met Raeka geregeld dat ze na de les mocht oefenen omdat ze de extra training niet kon betalen. De installatie stond aan met de muziek voor aarddans onder de keuzeknoppen. Ze dwong zichzelf overeind en oefende de choreografie tot waar ze geleerd hadden. Ze kwam drie tellen te laat uit. Haar spiegelbeeld lachte haar uit. Die onhandige benen van haar ook! Die stramme armen! “Iedereen kan aarddansen”, had Raeka gezegd bij de eerste les. “Alleen sommige moeten harder werken dan anderen.”
Adama staarde naar haar handpalmen. Die waren rood en gebarsten. Haar benen wilden niet goed als ze de figuren op de grond moest doen. Eigenlijk vond ze alle bewegingen in aarddans onnatuurlijk aanvoelen.
Als ze hard bleef werken kon ze ook buiten de Stad op het Water gaan optreden. Ze kon naar een academie in een andere stad en beroemd worden. Dan kon ze hoog in de bergen wonen, waar geen zee was, waar de grond en het water schoon waren.
Dat was haar oorspronkelijke plan. Maar met aarddans zou dat haar niet lukken. Daarom had ze haar plan veranderd.
Ze controleerde eerst of de nooddeur niet op een kier stond. Daarna controleerde ze of de kleedkamer leeg was. Er was ook niemand op de gang. Ze hoorde niets behalve het zachte fluiten van de pijpen. Met bonzend hart liep ze naar de muziekinstallatie.
Op de bronzen knoppen stonden de vier basisdansen gegraveerd. Aardedans, waterdans, vuurdans, en winddans. Ze drukte op de knop met “winddans” en koos het eerste nummer. De tonen waren glijdend, nodigden niet uit om te verbinden met de aarde maar juist om te zweven, hoog en licht.
De eerste passen voelden gevaarlijk. Adama was bedacht op voetstappen, stemmen, openslaande deuren. Ze durfde zich de eerste paar minuten niet over te geven aan dat euforische gevoel dat haar optilde en haar voeten deed draaien, strekken, bijhalen, strekken, bijhalen, draaien, dubbel draaien. De muziek zocht uitwegen in haar armen, helemaal tot in het puntje van haar vingertoppen, omhelsde haar zodat ze bescheiden passen maakte die dansende mugjes voorstelden, of het wiegen van bomen, of de glijvlucht van een losse veer. Ze verloor elk gevoel voor tijd en stopte alleen omdat haar spieren compleet uitgeput voelden.
Thuis had ze een boek over winddans. Ze kende alle figuren. Al bijna een jaar oefende ze na de les voor aarddans vooral winddans.
Adama liep opnieuw naar de installatie en zette de muziek terug naar aarddans. Ze dwong zichzelf de choreografie nog een paar keer te oefenen tot ze door een paar tellen van het stuk op de grond over te slaan, op tijd uitkwam voor de serie voetpassen. Haar uur was om. Met tegenzin kleedde ze zich weer om.
Het was stil in de dansschool toen Adama naar de uitgang liep. Hoadley dweilde de gang. Hij zwenkte een mop over de houten planken met een precisie die ze zelf nooit kon opbrengen. Na een paar zwenken doopte hij de mop weer in de emmer en wrong het water eruit.
Toen Adama en haar moeder de dansschool voor het eerst bezocht hadden om het inschrijfformulier te tekenen, had haar moeder gefluisterd dat Hoadley “van dattum” is. Dat betekende: dat hij “van de andere kant was”, op mannen viel. Terwijl ze in de rij stonden probeerde Adama te ontdekken hoe haar moeder dat had gezien. Hoadley had stroachtig haar en een onbestemde leeftijd; hij kon achttien zijn, of achtentwintig, of achtendertig. Zijn ogen glansden vriendelijk als de parels in de etalage van Gin’s, met het bleekste grijs rondom pupillen zo groot en alert dat ze vast alles zagen. In zijn oorlellen droeg hij zilverkleurige ringetjes met links een groenig kristal eraan en rechts een gelig, alsof hij die ooit in de bleek had laten vallen.
Ze had haar gegevens ingevuld en het formulier terug gegeven. En ergens dieper in haar was er iets gebeurd, een bibbering die zich had uitgestrekt tot in het zachte weefsel van haar keel en daar een klein fladderend iets had los gelaten dat ze maar niet weg kon slikken.

Posted in Fiction | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Voorgelezen in Milonga I – intro Pearce

Pearce verwachtte Iris elke dag op zijn kantoor om haar dag door te spreken. Voor de deur hield ze stil. Een baksteen dreef in haar maag door een gedachte die steeds vaker door haar hoofd spookte. Zou hij haar missen als ze zou weglopen? Ze zou hem niet missen.
Ze klopte op de deur. Het zoemen van de wieltjes onder Molly joeg kippenvel over haar huid. Dus haar vader was niet alleen. Molly was de huishoudrobot. Ze had de vorm van een vrouw, maar dan in grove glimmende blokken met een tuttig wit schortje ervoor.
De blauwe ledjes in haar ogen lichtten op toen ze Iris zag.
‘Welkom Iris,’ sprak ze met haar blikkerige stem. ‘Wat fijn dat je er bent.’ Molly trok de deur open en zei daarna: ‘Wat fijn. Bent.’ De bug in haar spraakprogramma had Pearce nog steeds niet laten repareren. Misschien viel het hem niet meer op. Misschien was hij het vergeten.
Iris wachtte bij de deur tot Molly rondom het gigantische kersenhouten bureau was gereden en tegen Pearce zei: ‘Hier is Iris. Hier is Iris.’
Pearce zat in zijn rolstoel. Fel licht van de twee beeldschermen op zijn bureau flikkerde op zijn gezicht. Hij had zich al zeker een week niet geschoren. Op zijn achterhoofd glom een kaal stuk huid en het haar daaromheen was dun en zwart. Zijn buik lag als een pels over zijn eigen schoot en deinde mee met zijn driftige typen.
‘Kom hier meisje,’ zei Pearce en klopte op zijn knie.
Iris zette zichzelf in beweging. Zodra ze aan de andere kant van het bureau was, rook ze de zware geur van vuil die om haar vader hing. Ze probeerde niet te slikken, door te lopen, de uitnodigende arm vast te pakken.
Pearce nam Iris op schoot. Ze voelde zijn buik tegen haar aan duwen. Dit was het lichaam van de vunzige man waarin haar vader zat opgesloten.
Molly reed naar de andere kant van het kantoor, waar een koelkast stond, en haalde er een bak met eten uit. Ze trok het plastic folie ervan af en kieperde de inhoud op een bord. Daarna zette ze het bord in de magnetron, reed een halve meter achteruit, en bleef doodstil staan.
Het loeien van de magnetron hield drie minuten aan.
Iris staarde naar de beeldschermen. De kaart van de stad was helemaal uitgezoomd. Met rode cirkels waren de huizen van verdachten gemarkeerd. De verdachten stonden op een lijst. De mannen bij wie Iris langs ging stonden ook op die lijst. Pearce selecteerde van welke mannen hij meer informatie nodig had.
‘Hoe was school?’ vroeg hij.
‘Prima,’ zei Iris. ‘De examenweek komt eraan. Ik zal veel tijd nodig hebben om te leren.’
Ze hoopte dat Pearce de hint begreep. In tegenstelling tot haar huiswerk kon ze haar toetsen niet door iemand anders laten doen.

Posted in Fiction | Tagged , , , , , , | Leave a comment

jouw kasteel

om stenen te bouwen tot een kasteel
in het schoon geschreven scheef geschaatste
om stenen te stapelen, ze omver
te duwen, bijeen te brengen
om te bouwen
om te schrijven
en door dalen te vliegen
toppen te ontstijgen
de dagen te dansen
in jouw kasteel

Posted in Poetry | Tagged , , , , , | Leave a comment