Bijknippen

Zoals elke dag keek ik `s ochtends door het raam naar mijn achtertuin. De mussen waren al de hele dag van slag. Ze zaten ongewoon stil op de schutting, hun vleugeltjes opgevouwen tegen hun lijfjes, hun kraaloogjes gefixeerd op de broodkruimels tussen het gras. Zagen zij iets dat ik niet zag?

Na de lunch stapte ik de tuin in. Zonnestralen schenen warm en fel op mijn gezicht. De herfst was nog maar pas begonnen.

De vlinderstruik had weelderige takken over het tegelpad gedrapeerd. Daar moest nodig iets aan gedaan worden. Ook het onkruid dat tussen de voegen van het terras omhoog schoot zou vandaag op de composthoop eindigen. Maar het allergrootste project was de heg.

In de schuur vond ik een heggenschaar, een monstrueus groot stuk gereedschap met lelijke roestvlekken op beide messen. Ik fronste. Was het zo vochtig in de schuur?

Terug in de tuin waren de mussen verdwenen. Ze waren vast voor mijn aanwezigheid gevlucht. Alleen drie van de musjes lagen onderaan de schutting, met hun pootjes omhoog. Dat kwam of door de vorst van vorige week, of door Hannes.

Ik liep naar de andere kant van de tuin, waar een coniferenhaag zich over drie meter lengte uitstrekte. Over de heg heen kon ik in de tuin van juffrouw Olssen kijken. Zij was een bejaarde dame in het bezit van een aanhalige lapjeskat genaamd Hannes. Het beest lag te dutten tegen een poot van de tuintafel. Ik twijfelde niet langer of hij verantwoordelijk was voor de dood van de drie musjes. Afgelopen zomer had ik hem namelijk eens uit de goot boven het klompenhok gejaagd terwijl hij een jonge mus in zijn bek had.

Met een diepe zucht staarde ik naar alle gevorkte takken die uit de heg staken. Dat ging me minimaal een uur kosten.
Ik hief de heggenschaar en knipte de eerste zijtak af.

Hé, dat was vreemd. De tak hing er nog steeds. Was de schaar zo verroest dat deze bot was geworden?

Ik waagde een tweede poging. Weer gebeurde er niets. Althans, niet wat ik verwachtte. De zijtak die ik probeerde te knippen was net op dezelfde hoogte als mijn schouder geweest. Nu reikte deze al tot boven mijn hoofd.

Ik stapte achteruit. Aan mijn voeten lagen kleine bergjes afgeknipte coniferentakken. De schaduw van de heg viel half over me heen. Ik keek op, naar de zon. Deze stond veel te ver naar het oosten voor het uur van de dag.

Wat gebeurde hier?

Ik liet de heggenschaar op het gazon vallen en rende het huis in. Bij de klok van het fornuis hield ik stil. 11:39 projecteerde zich in rode letters op mijn netvlies. Maar nee, het was net na één uur. Had ik vergeten te ontbijten en te vroeg geluncht?

Net op het moment dat ik me wilde omdraaien veranderde de 11 in 9. Ik knipperde. Er stond nu echt 9:39.

Hier klopte iets niet.

Toen ik terug de tuin in rende zag ik hoe de zon half was verdwenen achter de wilgen links in de straat. Zoals `s ochtends. Maar dingen waren anders. De vlinderstruik was kaal en ingekort. Het terras was vrij van onkruid. De heg was keurig geknipt. Er lagen geeneens minitakjes in de aarde bij de coniferenstammen.

Achter me hoorde ik getjilp van vogels. De mussen zaten op het hek, hun kraaloogjes op mij gericht. Vanuit mijn rechterooghoek zag ik beweging, binnen, in mijn huis. Ik keek. En zag mezelf.

Dit was onmogelijk.

Alles aan me voelde nog echt. Ik was niet doorzichtig. Mijn andere ik ook niet. Maar…?

Bij de heg lag nog steeds de heggenschaar. Ik pakte het gereedschap op. Kon ik hiermee bewijzen dat ik in elk geval niet dood was?

Ik kon de heggenschaar oppakken. Dat betekende dat ik niet dood was. Toch?

De mussen konden mij helpen. Terwijl ik dichterbij sloop hief ik de schaar en verzamelde wat moed. Geen van de vogeltjes fladderde weg toen ik er drie tegelijk tegen hun kopje raakte. De ongelukkigen kieperden naar voren en belandden onderaan het hek. Het moment daarna vlogen alle overige mussen op.

Van schrik liet ik de schaar los. Deze kwam met een plons terecht in een emmer gevuld met regenwater. Als ik de schaar liet liggen zou deze gaan roesten. Dus viste ik het gereedschap op en liep weer terug de schuur in. Daar lagen katoenen doekjes om de lemmeten schoon te maken.

Wacht. Ik keek naar de schaar in mijn hand. Geen roestvlekken. Iets kneep samen in mijn buik. En daarstraks…

Ik deinsde achteruit, de schuur uit. Buiten was het zomers warm. De vlinderstruik stond in bloei. Het onkruid had zojuist al zijn sporen verstoven. De heg had lichtgroene scheuten.

Voor het klompenhok stond ik. Ook. En ik siste en sloeg richting Hannes, die arrogant omlaag blikte met een mus in zijn bek.


Met een dikke knipoog naar Los Cronocrímenes en Triangle. En credits voor mijn vader omdat hij zei dat ‘bijknippen’ niet kan.

Dit verhaal is geschreven in één van de lessen van een schrijfcursus van Esther Bevers en als notitie gepubliceerd op mijn Facebookpagina op 31 januari 2013. 

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s