De Ballentent

I

De eerste keer dat ik hem zie geeft Oom Gus me net een duw. Ik moet pittenballen uitdelen. De jongen is met zijn klas, maar staat alleen, met zijn handen in zijn zakken. Hij is bleek en benig en er is iets aan hem waardoor ik seconden lang niet beweeg, tot Oom Gus me opnieuw een duw geeft. Ik recht mijn schouders en geef pittenballen aan de twee jongens die het hardst schreeuwen. Zij mogen van hun meester als eerste gooien.
Het kletteren van de blikken en het joelen van kinderen went nog niet. Sinds een week help ik Oom Gus in de ballenkraam, waar iedereen moet beginnen. Samen met andere kramen waar bezoekers prijzen kunnen winnen, staat de ballenkraam aan de rand van een plein. De stroom mensen die vanaf het pad naar de entree komt lijkt oneindig. Bovendien is het stikheet. Sinds tien uur vanochtend, toen de kraam opende, plakt mijn T-shirt tegen mijn rug.
Schuin voor ons staan de snack- en drinkkramen en daar tegenover draait de paardencarrousel. Misschien vind ik het jengelende trompetgeschal met harde drums dat de carrousel draait wel erger dan het kletteren van de blikken. Ik wil mijn oren afschermen maar moet nieuwe pittenballen pakken, voor de volgende twee jongens, terwijl Oom Gus de blikken weer opstapelt. Hij wijst op de prijzen die langs de bovenrand van onze kraam hangen. Knuffeldieren, snoepstaven, plastic zwaarden, en eivormige sleutelhangers voor wie alle blikken op één na omgooit.
De meester heeft heel dun haar dat driftig op en neer golft wanneer hij zijn leerlingen in de gaten houdt. Hij is getrouwd, zie ik. Rond zijn rechterringvinger glimt een simpele gouden ring, waar hij met zijn andere ringvinger overheen wrijft.
Ik stoot Oom Gus aan.
Hij gromt dat hij het begrijpt.
Ik duik op de grond om de gevallen pittenballen op te rapen. Sommige zijn helemaal tot aan de rand van het canvas gerold. Ik doe mijn best zo snel mogelijk de hele grond af te gaan, maar de kinderen beginnen al te fluiten en tegen het karton aan de voorkant te trappen. Ik heb geen tijd een slok water te nemen.
Drie meisjes staan voor me. De middelste is zo dik dat ze drie kinnen heeft. Als ik een pittenbal in haar wang zou duwen, zou niemand het zien.
Ze rukt de pittenballen uit mijn handen en lijkt op mijn gezicht te richten. Ik ontwijk de bal net op tijd. Alle drie de meisjes gooien op de middelste stapel blikken. Alle blikken behalve één vallen. Oom Gus trekt een eivormige sleutelhanger van de bovenrand.
‘Krijgen we er maar één?’ zegt het dikke meisje en plant haar handen in haar zij alsof dat indruk zou maken op Oom Gus.
‘Saartje’, zegt de meester alleen.
Saartje rimpelt haar neus. Nu lijkt ze op een varken. Ze eist een extra pittenbal van mij en zegt dan dat ik kan doodvallen want natuurlijk krijgt ze geen extra bal.
Aan de overkant van het plein gilt iemand in de achtbaan. Ik volg hoe de trein door de eerste salto dendert. Het is de vetste salto die ik ken. Soms mag ik een rondje van Ibri, mijn neef van achttien. Hij bedient elke dag de achtbaan en doet daarnaast de acrobatiekvoorstelling. Elke avond kiest hij een meisje van de kermis en laat haar meespelen in de show. Later wil ik die show ook doen. Ibri traint me al een jaar, maar ik heb steeds minder tijd nu ik Oom Gus moet helpen in de ballenkraam.
Twee jongens strekken hun armen uit naar de pittenballen die ik uit de doos haal. De jongen met zijn handen in zijn zakken wil ook, maar de meester houdt hem tegen. We hebben oogcontact. Ik wil weten waarom hij niet mag. Ik wil een pittenbal naar hem gooien zodat hij zijn meester kan bekogelen.
De laatste jongens wedden en spugen op de grond, maar winnen niets.
Oom Gus neemt het geld van de meester aan en geeft mij het signaal met zijn voet tegen mijn voet.
‘Wilt u uw toekomst leren kennen?’ vraag ik aan de meester. ‘Het is gratis.’
De kinderen springen en joelen en de meester glimlacht, maar met strakke kaken.

II

Ik leid de groep naar de tent van Tante Lou, een paarse wigwam omwikkeld door koorden vol melktanden. Binnen hangen er tientallen potjes aan nylondraden, de kleinste gevuld met brandende wierook, de grotere met muntplanten en hyacinten. Hoewel ik vaak genoeg ben binnen geweest, krijg ik nog steeds traanogen van de vele geuren. Tante Lou zit achter haar tafel. Alle sieraden rond haar nek en in haar oren rinkelen als ze naar me knikt. Ze heeft geen klant en vindt het ook geen probleem dat de hele klas erbij zit terwijl ze de meester over zijn toekomst vertelt. Hij doet met een frons zijn ring af als Tante Lou hem dat vraagt te doen en kijkt alsof iemand de haren uit zijn hoofd trekt als Tante Lou de ring laat vallen. Ik duik tussen de plooien van het tafelkleed, graai de gouden ring van Tante Lou haar schoot en geef haar snel een nepgeval. Niemand heeft gezien dat ik er één heb gegapt uit een kistje bij de ingang van de tent.
Ik verdwijn naar buiten, waar ik de zon in het goud laat schitteren. Het is echt spul.
‘Ga je die houden?’
Het is hem. Hij staat bij de pan aan een houten boog, waar Tante Lou `s avonds kruiden verbrandt en ondertussen een horrorverhaal vertelt over uilenogen die soms uit een uilenkop vallen. Ik gooi dan gumballetjes met erop getekende ogen omhoog zodat mijn zus Silvie de portemonnees van iedereen die in paniek raakt kan rollen.
Ik laat de ring in mijn broekzak verdwijnen.
‘Wil je een keer gooien?’ vraag ik.
‘Niet nu’, zegt hij.
Zijn ogen zijn blauw, iets dat me doet afvragen of hij wel van hier is. Alle mensen hier hebben donkere ogen.
Binnen zweemt de stem van Tante Lou. De kinderen lachen. ‘Nou, nou’, zegt de meester.
Ik schop tegen een keitje in het gras. De ring moet naar Oom Gus.
‘Je zegt niets, oké?’ zeg ik en doe een stap dichter naar de jongen toe. ‘Anders stuur ik mijn neef op je af. Hij mept je zo in elkaar.’
‘Laat hem maar komen’, zegt hij.
Het duurt een paar seconden voordat ik doorheb dat hij een zakmes omhoog houdt, het schilmes uitgeklapt en bijna tegen mijn hals.
Ik dwing mezelf te blijven staan.
Dan stroomt de klas uit de tent en de meester roept: ‘Sergej! Wat doe je hier? Waarom was je niet mee naar binnen?’
Het mes is weg en Sergej staat weer zoals eerst, zijn handen in zijn zakken. Alsof hij er niet wil zijn.

III

Tijdens het avondeten is Silvie weer stil. Ze is stil sinds een soldaat een paar dagen terug aan haar heeft gezeten. Ik weet niet precies wat dat betekent, “aan haar heeft gezeten”. Heeft hij zijn hand op haar heup gelegd? Haar gezoend midden op de dansvloer? Of na het feest in een steeg getrokken en verkracht? Ze was naar een feest in de stad geweest met een vriendin van hier. We mogen eigenlijk niet omgaan met kinderen buiten onze groep, omdat we elke twee weken toch alles afbreken en verder trekken. Pa reist altijd vooruit om afspraken te maken met gemeenten, zodat we een groot grasveld met bosgebied hebben om alle attracties en onze woonwagens neer te zetten. Daarom is hij er nooit.
‘Eet je bord leeg’, zegt Ma tegen Silvie.
Ze mompelt iets dat ik niet kan verstaan.
Oom Gus slaat met zijn vuist op tafel. ‘Naar je moeder luisteren!’ dondert hij.
Ik heb hem de ring gegeven, maar kreeg geen beloning. Sterker nog, Oom Gus zei: ‘Ik verwacht meer van dit’ en dat hij mee zou eten en dat ik daarna alleen naar de ballenkraam moet, want hij heeft zaken te doen.
Silvie snikt. Ze bijt hard in haar onderlip maar toch zie ik tranen komen.
Ma stuurt haar weg.
Regen spat hard tegen de ruit naast me. De bomen verderop vormen een rij puntige tanden. Achter de bomen rukken schaduwen op. Nog verder ligt de stad. `s Avonds gloeit de lucht van het lamplicht en kan ik auto`s horen claxonneren.
Ma glimlacht kort tegen Oom Gus, die iets zegt vlakbij haar oor en zo zacht dat ik het niet kan verstaan. Ze draagt vandaag een blauwe trui met stras-steentjes bij de kraag. Pa heeft die haar ooit gegeven voor haar verjaardag.
‘Ga je zus troosten’, zegt Ma.
‘Ik ben nog niet klaar’, zeg ik en staar naar mijn varkenshaas met prei en wortels. Ma trekt haar wenkbrauwen op, iets dat ze altijd doet als ik niet onmiddellijk doe wat ze vraagt. Ik weet niet precies waarom, maar de stilte die over tafel hangt als ik de deur achter me dichttrek, bevalt me niet.

IV
Buiten dringt de scherpe geur van dennennaalden in mijn neus. De elektrische lamp tussen twee woonwagens in is omringd door een zwerm vliegen. Een aantal is al ten prooi gevallen aan elektrocutie, want meerdere vliegenlijken hebben zich opgehoopt in de kleine ruimte tussen de houder en het glas. Ik schud alle vliegen die dood zijn op de grond en hang de lamp weer terug. Eigenlijk wil ik niet naar onze woonwagen. Silvie en ik delen een woonwagen tot ze zal trouwen. Ze is zeventien en Pa en Ma zijn op zoek naar een man voor haar. Ze mag er ook zelf één voorstellen, zolang Pa hem goedkeurt. Door het gedoe met de soldaat kan het moeilijk worden iemand te vinden die haar wil. Roddels gaan altijd snel in onze gemeenschap. Het is jammer dat de soldaat niet één van ons is, anders had ze met hem kunnen trouwen. Al weet ik ook wel dat Silvie hem waarschijnlijk niet wil.
Ik vind Silvie op haar bed, haar gezicht rood en gezwollen van het huilen.
‘Zal ik hem voor je doodmaken?’ stel ik voor en kruip naast haar.
‘Nee. Dan krijgen we problemen. Je weet toch: als wij hen met rust laten, dan…’ Haar stem is hees en valt weg in een rasp.
‘Ze laten jou niet met rust.’
Silvie onderzoekt mijn gezicht. Waarop weet ik niet. Ik staar terug, naar reebruine ogen net als die van mij en het dikke, zwartglanzende haar dat aan de puntjes een beetje krult. Ma is heel trots op dat haar.
‘Doe het niet, oké?’ Ze smeekt.
Zou ze weten dat ik er serieus aan denk die soldaat dood te maken? Of misschien twee, of een hele groep.
Gewone mensen hebben meer te vrezen van de soldaten dan wij, het kermisvolk. We zorgen alleen voor entertainment, houden de mensen bezig met spellen en shows die geld kosten, geld waarvan we een deel weer moeten afstaan aan de gemeenten waar we komen, die het doorgeven aan de Leider. Hij is de baas van alles in het Rijk. Hij heeft heel veel soldaten om alles te bewaken. Mensen die tegen hem zijn, worden opgepakt. Meestal ziet niemand hen ooit nog terug. Soms, als ze heel groot verraad tegen het Rijk hebben gepleegd, komen ze terug op tv om doodgeschoten te worden.
Omdat we overal komen, wil de Leider dat we zijn extra ogen en oren zijn. Verdachte mensen moeten we rapporteren aan de soldaten. In ruil daarvoor ziet de Leider door de vingers dat de kinderen van onze kermisgroep niet naar zijn scholen gaan en dat we geen belasting aan hem betalen. Oom Gus is meestal degene die verdachte mensen rapporteert. De soldaten betalen hem er voor, of nemen hem mee naar de stad waarna hij altijd dronken terugkomt. Hij zegt dat ik hem moet zeggen als ik denk dat een burger gerapporteerd moet worden.
Ik doe veel dingen maar iemand aangeven hoort daar niet bij. Ik moet de Leider en zijn soldaten niet. Mensen die naar de kermis komen kijken vreemd naar me. Alsof ik slecht zou zijn. Omdat ze weten dat mensen zoals ik hen aangeven.
Ik wil naar een gewone school. En heel lang op dezelfde plek wonen en vrienden maken.
Overal waar ik kom zijn mensen alleen maar bang voor me. Of slaan me in elkaar. ‘Kermisvolk is vrij’, zegt Pa altijd. ‘Daarom moeten wij extra opletten. We laten ons niet bedonderen.’
‘Ben?’
Silvie`s stem trekt me terug naar de woonwagen.
‘Wat?’
‘Waar denk je allemaal aan?’
‘Nergens aan’, zeg ik en sla mijn armen om haar middel. Ze ruikt naar Ma, maar zoeter.
Ik wil vragen of ik vanavond mag zakkenrollen en zij de balletjes met erop getekende ogen wil gooien. Hoe het eigenlijk is gegaan bij de kindershow die ze doet samen met Kai, onze andere neef. Vinden de kinderen zijn nieuwe trollenpak niet te eng? Is het haar gelukt als woudelf aan het koord over het publiek te vliegen?
Maar ik zeg niets en druk mijn wang steviger tegen haar schouder.
We zitten een poos zwijgend, tot ik buiten voetstappen hoor. Ma? Iets schiet tegen de zijkant van de woonwagen, waarschijnlijk een dennenappel. Dan gaat de deur open.
Het is Ma. ‘Ben, laat ons alleen, wil je?’ zegt ze.
Ik weet dat ze met Silvie wil praten en besluit te gehoorzamen, maar kniel eerst bij het ladekastje met mijn kleding en trek een extra vest aan en loop dan langs het keukenblok voor een handvol snoep uit de pot op het aanrecht.
Pas als ik langs de eerste rij lampions op de kermis loop en de smaak van zure matten mijn tong prikkelt, dringt het tot me door dat Ma haar trui binnenstebuiten aanhad.

V

Het is nog vroeg op de avond, maar al stikdonker, want alle sterren schuilen achter een dik wolkendek. De regen is overgegaan in miezeren, waardoor het schijnsel van de lampionnen die hangen aan takken worden weerspiegeld op de natte straat. Kinderen jonger dan ik komen naar de ballenkraam en ik laat ze te veel betalen voor een keer gooien. Bij de paardencarrousel staat een lange rij en geloof het of niet, maar alle kinderen die geweest zijn komen richting mijn kraam.
‘Twee per keer’, zeg ik met mijn meest bazige stem en neem geld aan uit plakkerige kinderhanden.
De kinderen zijn uitgelaten en gillen veel, maar ze gooien wild en winnen niets. De pittenballen rollen tot in alle hoeken van de kraam en ik buk me kapot en kruip rond om ze allemaal weer zo snel mogelijk te verzamelen. Eindelijk is het voor de kinderen laat genoeg om naar huis te gaan. Ik tel de pittenballen; er mist er één. Op mijn knieën controleer ik alle vouwen en plooien van het canvas en vind de missende bal terug achter één van de houten palen die de kraam omhoog houden.
Als ik me terugdraai naar het plein staat Sergej voor me.
‘Hey’, zegt hij.
‘Hey’, zeg ik.
Even zeggen we niets. Aan de overkant van het plein raast de achtbaan door een schroef. De trilling werkt zich via de straat tot in mijn botten.
Dan geef ik Sergej drie pittenballen.
Hij laat één bal balanceren op zijn vingertoppen, om het gewicht te voelen, hoe vol de bal met pitten zit, de afstand tot de blikken te schatten? Dan gooit hij. Alle blikken van één stapel gaan om.
Ik slik mijn verbazing weg. ‘Welke wil je?’ Ik wijs op de prijzen.
‘Ik hoef die troep niet.’
‘Wil je nog een keer gooien?’
Hij houdt zijn hand op. Ik geef de pittenballen aan. Hij gooit. De blikken kletteren en rollen. Ik duik op de grond om ze op te stapelen en de ballen terug te leggen en hij gooit opnieuw, precies en snel. Alsof hij niet op de blikken gooit maar op iets anders.
‘Mocht je daarom niet gooien?’ glipt er uit mijn mond. ‘Omdat je zo goed bent?’
Een pittenbal vliegt tegen het achterste canvasdoek zonder een blik te raken. Sergej zoekt oogcontact. Ik lees een waarschuwing en geef hem snel nieuwe pittenballen, stapel op wat is gevallen, en wacht.
Na een paar seconden gooit hij weer, alsof er niets gebeurd is. Het gekletter van de blikken is opeens welkom, vertrouwd.
De drukte op het plein is afgenomen. Het reuzenrad maakt zijn laatste rondje. De gele bollen op de overkappingen zijn omgeven door lichtaureolen van de vochtige lucht. Hier en daar lopen nog een paar jongeren in het lampionlicht, vooral stelletjes die hand in en hand een ijsje likken hoewel het daar nu best koud voor is. Vanaf de straat naar de entree komt een man dichterbij. Hij is klein maar breed, met een nette baard. Als hij voor de kraam staat zie ik dat al zijn nagels zwarte randen hebben, van werken in de mijnen.
Zodra Sergej merkt dat de man naast hem staat, verstijft hij.
‘Hoe haal je het in je hoofd je moeder ongerust te maken’, zegt de man. Een randje woede in zijn stem duwt mijn keel dicht. Gaat de man hem zo slaan?
‘Je bent m`n vader niet’, zegt Sergej alleen en doet een stap achteruit alsof de man gevaarlijk is.
De man heft zijn hand op. “Nu gaat hij hem slaan” denk ik, maar hij wijst op mij.
‘Hoeveel is hij je schuldig?’
‘Niets, meneer’, zeg ik en recht mijn schouders.
De man fronst.
‘Niet jouw zaken’, zegt Sergej.
Even staart de man van mij naar Sergej en weer terug naar mij. ‘We gaan’, zegt hij uiteindelijk. Sergej volgt, maar niet voordat hij heel duidelijk zegt, zodat ook de man het gehoord moet hebben: “Tot morgen”.
VI

‘s Ochtends word ik te laat wakker voor mijn training met Ibri. Ik eet een droge beschuit en drink een shake van rauwe eieren. Daar heb ik direct spijt van, want mijn ontbijt stuitert als een blok beton in mijn maag als ik naar Ibri’s woonwagen ren. Dat wordt erger door de koude teugen mist die ik naar binnen slik. Ibri staat me op te wachten, zijn armen over elkaar gevouwen en met dezelfde strakke lijn rond zijn mond als Oom Gus vaak heeft.
We doen oefeningen. Mijn spieren moeten soepeler, zodat mijn rug en ledematen in allerlei richtingen kunnen buigen, maar bovendien moet mijn lichaam sterker worden. Sterk genoeg om zonder wankelen tientallen meters op mijn handen te lopen en minstens drie meter hoog te kunnen springen voor een meervoudige schroef.
Ik ben er met mijn hoofd niet bij. Elke seconde vraag ik me af wanneer Sergej weer komt. Het is weekend. Hij hoeft niet naar school. Hij kan om tien uur al bij de kraam staan.
Ibri merkt dat ik er niet bij ben. Hij snauwt en laat me langer oefenen dan normaal. Rond de woonwagen van hem en Kai hangen autobanden. Ibri geeft me er één om te liften. Mijn armen trillen erger dan ze ooit gedaan hebben. Dan moet ik op en af de band springen. Het ding rollen over de grond vol kuilen, takken en modderige stukken. Mezelf opdrukken met de band onder me zonder deze te raken. De band duwen en erachteraan rennen en weer duwen. Na twee uur wil ik mezelf begraven in de bosgrond en niet nóg eens opdrukken, optrekken, of rennen en stoppen en rennen en stoppen.
Om half tien mag ik gaan. Ik sta met kleren aan onder de douche tot mijn ademhaling weer normaal is en eet daarna het restant van mijn avondeten, dat Ma in de koelkast had gezet.
Als ik bij de ballenkraam kom, is Oom Gus daar al. Het is nog geen tien uur. Meestal is hij niet op tijd. Een knoop ontwikkelt in mijn maag en de hand van Oom Gus landt hard tegen mijn hoofd al voordat ik reflexmatig wegduik.
‘Je bent het geld vergeten’, schreeuwt hij. ‘Nietsnut! Het is weg!’
Oom Gus smijt de kassalade waar we het geld in bewaren en die elke avond naar zijn woonwagen moet, voor mijn voeten. Nog een klap, op mijn schouder, en één op mijn rug als ik zijn uithalen probeer te ontwijken. Een alcohollucht wasemt mijn kant op. Oom Gus heeft vannacht weer zaken gedaan. Met soldaten. En ik ben weggelopen van de kraam en in bed gekropen zonder Silvie wakker te maken en heb geen moment gedacht aan het geld.
De klap tegen mijn oor doet mijn hoofd suizen. Ik zoek paniekerig naar vaste grond en vind de tegels van het plein, die mijn handpalmen openschaven en een scheut van pijn door mijn knieën zenden, gevolgd door een trap in mijn zij die al mijn ribben doet rammelen.
‘Wegwezen!’ roept Oom Gus boven me.
Ik krabbel overeind en ren zo hard ik kan naar de entree.

VII

Als ik bij woonwagen van mijn ouders kom, is Ma daar niet. Ze is vast naar de stad, om boodschappen te doen. Of stoffen te kopen voor nieuwe kostuums. Op een hoek van de tafel staat haar naaimachine, waarvan het geratel me altijd doet denken aan de eerste keer dat Silvie meespeelde in de kindershow. Elf was ze toen. Ik was vier. Uit balen stof in blauw, geel en oranje maakte Ma een jurk die Silvie omtoverde tot een wezen uit een andere wereld, een lichtvoetige danseres die met één werveling en een glimlach iedereen de adem benam. Mijn zus. Die nu ballonnen verkoopt op het plein.
Ik stroop mijn broekspijpen op en inspecteer mijn knieën. De huid is rauw en rood en de blauwe plekken beginnen al te vormen, maar het zal na een week wel genezen zijn. Pas wanneer ik mijn trui en T-shirt optil, schrik ik. Waar Oom Gus me geschopt heeft, kan ik de afdruk van zijn zool zien. Ik voel aan mijn ribben. Het steekt, van mijn ruggengraat tot aan mijn sleutelbeen. Hoe kan ik morgen trainen met Ibri? Hoe kan ik hem vertellen wat zijn vader heeft gedaan?!
Huilen wil ik. Maar ik bijt op mijn onderlip. Huilen is voor watjes.
In een kastje boven het aanrecht zoek ik naar de verbanddoos. Er zit een smeerbare pijnstiller in. Zelfs mijn arm op tillen doet pijn als ik de transparante zalf aanbreng. Het is een beetje koud en ruikt bitter. Als ik de doos terugzet zie ik een glimp metaal achter een stapel theedoeken.
Een wapen.
Het wapen van Pa.
Vorig jaar, tijdens één van de weken dat hij thuis was, heeft Pa me geleerd te schieten. Het was geweldig. Pa die zijn handen over die van mij legde tijdens de eerste keer dat ik mocht vuren. En daarna boksten we alsof en dronken een shotglaasje whisky, waar Ma boos over werd omdat ik nog lang geen dertien was, maar hij kuste haar waar ik bij was en ze begon te blozen en kuste mij op mijn hoofd en zei dat ik al zo`n grote jongen werd.
Ik weet waar de kogels liggen. In een aardewerken pot in het kastje onder de gootsteen. Het wapen hang ik bij de rand van mijn broek in, op mijn rug, precies zoals Pa me heeft geleerd. Een stem in mijn hoofd zegt niet te doen wat ik van plan ben. Ik schakel het één en ander uit in mijn lichaam, zodat er in mijn borstkas een vreemde leegte achterblijft.
Niet veel later ben ik buiten het woonwagenkamp, in een stuk bos zonder paden. Mijn schoenen zakken diep weg in de strooisel laag en soms schep ik modder op waar het water hoog staat. Takken trekken krassen over mijn wang als ik dwars door struiken loop. Van heel ver weg hoor ik het gejengel van de draaimolen, alsof uit een ander leven.
Wie heeft het geld gestolen? De vraag begint steeds agressiever aandacht op te eisen in mijn hoofd. Het geld moet zijn gestolen door iemand die na sluitingstijd nog op het terrein is geweest. Dat kan bijna iedereen geweest zijn. Het hek rond de kermis is eenvoudig te beklimmen. We hebben camera`s, maar niet overal. Waarschijnlijk is Oom Gus nu de opnamen aan het terugkijken.
Denken aan Oom Gus drukt mijn keel dicht. Wat zal hij doen als hij me weer ziet? Schelden, slaan? Zal hij me opsluiten in de inbouwkast in zijn woonwagen? Dat heeft hij al eens gedaan toen ik een fles wijn had laten vallen. Het was niet eens zijn wijn. De wijn viel niet eens op zijn keukenvloer, maar op die van Pa en Ma. Maar ik moest de wijn voor hem pakken. In de inbouwkast werd ik aangevallen door een heel leger silhouetten die leken op insecten, geesten en monsters en het duurde zo lang dat ik opgaf dat ik nog op tijd naar de wc zou kunnen en het moment dat de deur openging zag ik bij Pa een zorgenlijn in zijn ene wang en hoorde ik Oom Gus zeggen dat ik nu wel lang genoeg gestraft was.
Ik haat Oom Gus.
De vreemde leegte in mijn borstkas zinkt, alsof deze toch niet helemaal leeg is. “Ik kan niet terug” scandeert het in mijn hoofd. “Tenzij ik iets doe” echoot ernaast. Misschien kan ik het geld terugvinden. Of iemand rapporteren aan een soldaat.
Ik bereik een opener ruimte in het bos. Varens en bessenstruiken groeien tegen een aantal omgevallen bomen. Niet veel verder daalt de grond tot aan de rivier die het bos scheidt van de stad. Tussen de bomen aan mijn rechterkant door zie ik een paar strepen kleur, van het reuzenrad. Links van me schemert een brug, een grote voor auto`s. De herfst is nog maar pas begonnen en de bomen hebben nog te veel bladeren om de overkant van de rivier te kunnen zien.
Maar ik weet hoe het daar eruit ziet. Silvie heeft het me verteld, toen ze daar heen was met haar vriendin.
Ze vertelde hoe de stad als een deken op een vlak stuk land ligt, met de buitenste wijken in golven tegen de heuvels. Achter de stad verrijzen bergen, waar mijnbouwers al eeuwenlang kolen delven. Aan de rivier is een zijarm gegraven, een kanaal dat uitkomt in een binnenhaven, waaromheen het centrum ligt. Op de kades zijn cafés en gokhuizen en daartussen lopen nauwe straten richting een centraal plein, met winkels, supermarkten, en zwervers. ‘Er zijn meer zwervers dan zwerfhonden’, zei Silvie. ‘Dat komt vast omdat de zwervers de honden opeten’, had ik geantwoord. Aan het plein staat een kerk met één bel in de klokkentoren, een gemeentehuis waar een afbeelding van de Leider in tweevoud aan vlaggenstokken wappert, en een gigantische eik die zijn wortels tot diep onder het plein heeft begraven. De stratenmakers zijn elk jaar druk om de gescheurde tegels te vervangen. `s Nachts, als mensen naar cafés gaan en drinken, knalt er harde muziek uit de speakers en ruikt het centrum naar alcohol, urine en verbrande diesel. Dat laatste afkomstig van een generator die dag en nacht rook uitbraakt om een setting van een verrader die wordt beschoten door een peloton soldaten in beweging te houden. Het is om de mensen kalm te houden. De soldaten die rondlopen zijn alleen zo lam dat ze een verrader toch niet kunnen arresteren.
Oom Gus was samen met die soldaten toen hij Silvie vond.
Had hij het kunnen tegenhouden?
Een duizeling slaat door mijn hoofd. Ik leun tegen een boom en adem diep in en uit. Het gaat ietsje beter, maar ik blijf me niet goed voelen.
Misschien kan ik werk vinden in de stad. Of gewoon zakken rollen. Eten stelen en een schuilplaats zoeken in een achterkamer van het gemeentehuis, waar niemand ooit komt.
Ik weet zeker dat Oom Gus me niet zou weten te vinden.
Ik loop verder van de rivier weg, dieper het bos in. De struiken worden groter, met doornen die aan mijn shirt klauwen. Als ik zeker weet dat niemand me zou kunnen zien, pak ik het wapen op mijn rug.
Een doffe tik rolt door de lucht. Ik verstijf. De volgende tik is steviger, met een metalige sneer eronder. Mijn ogen schieten alle kanten op. Weer een tik. Langzaam draai ik richting de bron van het geluid. Het tikken versnelt. En stopt dan. Een ander geluid klinkt op, knarsen van hout, metaal tegen metaal. Dan weer het tikken. Tussen een waas van overhangende takken vind ik een platform in een boomkruin. Daarbovenop een jongen die een hamer op en neer beweegt.
Sergej.

IX

Heeft Sergej het geld gestolen?
Gisteravond is vaag. Ik ben weggelopen. Ik weet niet eens meer of ik heb gewacht tot Sergej en de man uit het zicht verdwenen waren.
Een paar minuten lang kijk ik toe hoe Sergej een boomhut bouwt. Waarom hier? Waarom alleen? En waar heeft hij de planken vandaan? Gekocht van het geld dat hij heeft gestolen?
Ik sluip dichterbij tot achter een braamstruik.
‘Hey!’ roep ik omhoog.
Ik zie hem schrikken.
‘Hey.’
We staren naar elkaar.
Hij stuurt me niet weg.
Links van me is een knoest op de boom. Hoewel ik het beter niet kan doen, klim ik omhoog. Een rauwe pijn schiet door mijn ribbenkast heen elke keer als ik mezelf optrek, maar ik laat niets merken. In de kruin van de boom is net genoeg ruimte om te zitten, op twee pallets die Sergej aan elkaar heeft getimmerd met planken. Hij wijst op een stapel planken die tegen een tak staat. Met zijn zakmes snijdt hij het touw rondom de planken los.
‘Er moet een muur komen’, zegt hij.
Ik kijk toe hoe hij een geraamte van planken aan één zijde van de pallets timmert en een dwarsplank bevestigt, zodat de planken niet omvallen.
Dan wijst hij op de andere kant. ‘Doe jij die?’
Ik pak een paar spijkers en de hamer en doe wat hij deed. Het is moeilijker dan ik dacht. De spijkers gaan scheef. De planken zijn zwaar. Splinters prikken diep in mijn vingers als ik over de planken schuif. En zweet verhit mijn voorhoofd en nek.
Plotseling houdt Sergej zijn adem in.
Komt er iemand aan?
Ik draai mijn hoofd, net op tijd om zijn grijpende hand te kunnen ontwijken.
‘Wou je me neerschieten?’ vraagt hij, zijn ogen donker.
‘Waar is het geld?’ zeg ik met mijn meest dreigende stem.
Hij fronst.
Als ik hem aangeef, is Oom Gus vast niet boos meer. Overmorgen gaan we toch verder. Niemand van hier kent mij.
Ik haal het wapen uit mijn broek en richt op zijn hoofd. Alleen prikt de rand van zijn zakmes tegen mijn keel. Ik bereid me voor op pijn van een diepe snee. Maar alles wat ik voel is de pijn in mijn ribbenkast die plots als een zwarte golf door mijn lichaam slaat en het daglicht meeneemt.

X

Ik ruik zweet. Sterker nog, ik voel het soppen in mijn oksel. De pijn in mijn ribben is fel. Bij elke stap dreunt het op en neer door mijn hele romp. Verderop zie ik een woonwagen. De woonwagen van Ibri en Kai. Autobanden rond de dakgoot. Naast mijn voeten loopt een ander paar voeten. Van Sergej. Hij ondersteunt me.
‘Wat is er gebeurd?’ wil ik vragen maar denk dan aan het wapen. Ik voel het niet tegen mijn rug. Heeft Sergej het? Ik draai mijn hoofd om te kijken, maar de pijn die door me heen schiet slaat de kracht uit mijn spieren.
Ik val.
Vochtige bladeren plakken tegen mijn wang als ik bijkom. Het is koud. Sergej helpt me overeind. Ik heb geen idee hoe lang ik al lig. We lopen voorbij de woonwagen van Ibri en Kai, voorbij die van Silvie en mij, tot aan die van Pa en Ma. Er is wind, zo hard dat ik soms bijna omver wordt geblazen. Met de wind mee komen geluiden van de kermis. Mensen die gillen in de achtbaan, de stem van mijn nicht Elsa die de show van Kai en Silvie aankondigt, en het jengelen van de draaimolen. Dan is het al avond. Misschien is het daarom koud. De zon is al bijna onder. Ik heb het avondeten gemist.
Mijn maag is hol. Ik heb pijn aan mijn sleutelbeen. Het zeurt. De pijn in mijn ribben lijkt minder. Misschien ben ik eraan gewend.
Sergej houdt stil bij de woonwagen van Pa en Ma. Hoe weet hij dat ik hier moet zijn? De gordijnen voor het raam zijn half open. Op bed zie ik Ma. Haar rug en billen, bloot, bovenop de lakens. Ze ligt naar de muur toe. Op tafel staan vuile borden en een pan. Een vage geur van gefruite ui hangt onder de afzuigpijp.
Er ligt iemand naast Ma.
Ik zie een voet, een blote, hoekige mannenvoet die met de grote teen langs het been van Ma omhoog schuift.
Sergej vraagt of ik wil kloppen.
‘Pa is al terug’, zeg ik tegen mezelf.
Maar ik weet gewoon dat Oom Gus degene is die naast Ma in bed ligt. En dat aankloppen en hem de deur open laten doen het laatste is wat ik wil.

XI

Sergej brengt me naar de woonwagen van Silvie en mij. Het is nog meer meters over de ongelijke grond. Ik voel mijn benen niet. Toch bewegen ze. In mijn hoofd is mist, van koorts of een harde klap. Sergej tilt me het trappetje voor de woonwagen op en legt me in bed. Ik hoor gerommel in kasten en laden. Hij staat voor me met een schaar en knipt mijn shirt open. Zijn ogen zeggen niets als ze die van mij vinden. Het staalblauw staart blank terug. Alsof er niets in hem omgaat.
Als Sergej me had willen doodschieten had hij dat allang gedaan.
Hij helpt me een glas water drinken. Zodra mijn hoofd het kussen raakt, wordt de wereld weer zwart.
De nacht is onrustig. Tochtstromen strelen mijn blote huid totdat iemand een laken over me heen legt. Koele vingertoppen rusten op de rug van mijn hand. Ik wil weten wie het is. Mijn ribben branden soms, en soms voel ik ze helemaal niet. Na lange tijd kom ik erachter dat de gloeiende bol die boven me zweeft de lamp is. Op een gegeven moment hoor ik de stem van Oom Gus. Kippenvel kruipt overal over mijn lichaam heen als ik me voorbereid op een klap. Nog een trap. Maar de stem van Silvie overstemt hem. Ik kan niet verstaan wat ze zegt. Ik hoor alleen hoe haar stem vervormt, met raspen als ze ademhaalt. Ze huilt. Ik wil ook huilen. Het lukt niet.
Heeft Silvie vanavond in haar eentje de balletjes met erop getekende ogen gegooid en zakken gerold?
We bedriegen de Leider. Zweet bedekt opeens elk oppervlak van mijn lichaam. Als de Leider erachter komt dat we meer verdienen dan we zijn gemeenten vertellen, dan komen we vast op tv voor een executie. Dan maken ze ons dood.
Ik wil niet dood.
Ik begin te schreeuwen. Het voelt als een overwinning als ik mijn eigen stem hoor weerkaatsen tegen de muren van de woonwagen. Ik schreeuw tot ik geen pijn meer voel. Tot de gedachtenflitsen waarin Oom Gus me kleineert vervagen. Ik krijg complimenten van Ibri. Ik mag binnenkort zijn show gaan overnemen. Ik schreeuw nog meer en Oom Gus slaat me niet meer. Ik sla terug. Ik pak Pa’s wapen en jaag een kogel door zijn hoofd.
‘Ssh…’
Een hand raakt mijn wang. Ik gloei. Alles is warm.
‘Ssh…’
Het is donker. Alleen het schijnsel van de elektrische lamp buiten tekent vaag de contouren van de woonwagen. Behalve Silvie en ik, is er niemand.
Haar ogen glanzen. Ik slik. Mijn keel voelt rauw. Ik heb echt geschreeuwd. Het was geen droom. Heb ik verkeerde dingen gezegd?
Silvie trekt haar hand terug.
‘Ben…’ Ze haalt sidderend adem. ‘…heeft Oom Gus dit gedaan?’
Al het speeksel in mijn mond is weg. Ik wil dat Silvie naast me komt liggen, met haar hoofd tegen mijn schouder, zoals vroeger.
‘Niet huilen’, zeg ik alleen als ik haar hoor snikken.

XII

Twee dagen lig ik in bed. Het gejengel van de draaimolen houdt me wakker. Eén rib is gebroken; vier anderen zijn gekneusd. Ma heeft een dokter laten halen. Ik moest van haar vertellen dat ik in elkaar ben geslagen door een jongen uit de buurt. Ze bleef erbij toen de dokter er was, anders had ik de waarheid verteld. Misschien dat ze Oom Gus dan opsluiten.
Silvie zorgt voor me. Ze snijdt mijn brood in stukjes en doopt het in smeerkaas zodat ik mijn armen niet hoef te bewegen. Mijn groente en vlees doet ze hetzelfde. Als ik wil drinken, hoef ik het alleen maar te vragen. En als ik naar het toilet moet, helpt ze me ernaartoe en doet mijn broek los.
Op de derde dag kan ik rechtop zitten met een kussen in mijn rug. Ademhalen moet ik rustig doen, anders trekken de spieren rond mijn ribben te strak aan. De wind is gedraaid. Naast het gejengel van de draaimolen hoor ik ook mensen gillen in de achtbaan. Silvie heeft me verteld dat het geld nog niet terecht is. Als ik vraag of Oom Gus de bewakingsvideo’s heeft bekeken, antwoordt ze dat hij daar nog aan moet beginnen.
Na de lunch maakt Silvie zich klaar voor haar optreden in de kindershow. Ze draait haar rug naar me toe als ze haar kleding uittrekt en de driekleurige jurk aandoet. Net als Ma heeft ze ronde heupen, maar nog smal.
‘En?’ glimlacht ze.
Ik staar in haar richting en had niet door dat ze zich had omgedraaid.
‘Je bent net een woudelf’, zeg ik, maar ik wil meer zeggen. Dat ze betoverend is. Dat Pa en Ma vast hun best zullen doen een goede man voor haar te vinden. Dat ik hoop dat ze nog lang niet gaat trouwen zodat we nog heel lang samen ’s avonds kunnen zakkenrollen bij het uilenverhaal van Tante Lou.
Iemand klopt op de deur.
Silvie doet open. ‘Het is je vriend’, zegt ze. ‘Kom binnen.’
Sergej zegt nog steeds niets als Silvie al weg is. Hij heeft een tas bij zich, waar hij een zak chips uit haalt. In de woonwagen is maar een stoel, met mijn en Silvie`s kleren erover. Hij pakt die stoel en komt bij het bed zitten. De zak ritselt. Sergej schudt wat chips op het laken dat over mij heen ligt. De beweging doet pijn maar toch pak ik wat chips. De chips zijn zouter dan ik gewend ben en al gauw krijg ik dorst. Ik krijg nieuwe chips hoewel ik liever wat wil drinken.
Van buiten roept een stem, ‘Ben!’. Het is Clara, een nichtje van de vrouw van Oom Gus. Ze trekt de deur open zonder op mijn antwoord te wachten. Ik verbeeld het me vast, maar de stank van zure melk die altijd om haar heen hangt, dringt zich in mijn neus. Tegen haar borst houdt Clara een pop geklemd. Soms speel ik met haar omdat het moet van Ma. Het is een vadertje en moedertje waarbij ik alles moet doen en zij mij vertelt hoe. Ze is pas vier.
‘Niet nu’, zeg ik zo hard ik kan.
Haar grote ogen blijven even bij Sergej hangen en dan gaat ze weer.
‘Ze willen dat we later trouwen’, vertel ik, hoewel dat absoluut niet interessant is.
Ik hoop dat hij lacht, want het is belachelijk, we zijn nog maar kinderen.
We eten meer chips, minutenlang, zwijgend.
‘Zullen we er één doodmaken?’ zegt Sergej uiteindelijk.
Ik stop met kauwen.
Eerder dacht ik dat er niets in hem omging. Het staalblauw is niet blank. Ik kan nu zien wat hij denkt. En ik weet dat hij kan zien wat ik denk.

XIII

Silvie gaat trouwen. Ik zit met Sergej in de boomhut en mijn ribben doen nog best pijn, maar het enige waar ik aan kan denken is dat Silvie gaat trouwen. Ma vertelde het vanochtend bij het ontbijt. ‘En, wat vind je ervan?’ ‘Prima’, zei ik maar eigenlijk had ik willen vragen of ik het kon tegenhouden. Silvie zal niet meer bij ons wonen. Ik zal haar waarschijnlijk pas na een jaar weer zien, bij een familiebijeenkomst en dan zal ze een baby hebben, een moeder zijn, zoals Ma. Ze gaat trouwen met een man die het niet erg vindt dat een man aan haar heeft gezeten. Of hebben Pa en Ma het hem niet verteld?
Ik was nog niet genoeg hersteld om te kunnen trainen met Ibri. En sinds Oom Gus had ontdekt dat het geld uit de kassa weg was, is de ballenkraam gesloten. Daarom hebben Sergej en ik vanochtend afgesproken bij de uitgang. Hij vertelt me dat er regelmatig mensen door het bos lopen omdat het korter is dan het pad buitenom. Ze komen uit de stad en zijn op weg naar de kermis of het dorp daarachter. Soldaten doen het ook en houden zich vaak op niet ver van waar Sergej zijn hut heeft gebouwd. Vanaf het platform kunnen we de plaats zien. Een paar omgevallen boomstammen vormen een cirkel van zitplaatsen.
In de boomhut hebben we eten en drinken en zelfs een deken. Het wapen van Pa ligt naast een glazen fles vol vruchtensap. Ik weet niet precies waarom ik en Sergej nu samen in de boomhut zitten. Ik weet dat we een plan hebben. Ik weet dat Sergej ervoor heeft gezorgd dat ik mijn eigen plan heb gestaakt. Ik heb een vriend. Ik weet alleen niet waarom Sergej mijn vriend is.
‘We doen dus een soldaat?’ vraag ik en probeer mijn stem zo vlak mogelijk te laten klinken.
Sergej reageert niet. Misschien is hij bleek en benig omdat hij thuis niet genoeg eten krijgt. Misschien moet hij werken om geld te verdienen voor zijn familie. Heeft hij ook een zus? Heeft zijn moeder ook een ander?
Ik besef dat ik niets van hem weet, behalve dat de man die hem meenam van de ballenkraam in de mijnen werkt, maar niet zijn vader is.
De politie zal concluderen dat Oom Gus de enige is die het wapen van Pa zou pakken. Op het doden van een soldaat staat een zware straf.
Het is stil in het bos. Er is zo weinig wind dat ik me heel even afvraag of we niet in het midden van een orkaan zitten. Dat heb ik eens gehoord van een klant bij de ballenkraam. Soms knapt er een twijgje. Ik denk elke keer dat er iemand aankomt, maar het zijn muizen of vogels. Mijn handen zweten. Kwam er maar iemand. Dan kan ik wraak nemen.
Sergej weet niet dat een soldaat doden een wens van mij is. Moet ik het hem vertellen? Wat is zijn reden om een soldaat te doden? Wil hij ook wraak nemen op iemand?
‘Een soldaat heeft aan mijn zus gezeten’, zeg ik uiteindelijk en voeg toe: ‘Ze moest ervan huilen.’
‘Mijn echte vader is een soldaat.´ Zijn ademhaling hapert, alsof hij ook iets wil toevoegen maar zich op het laatste moment bedenkt.
We zwijgen. Meer twijgen knakken. De wind wacht. Mijn buik knijpt samen van de spanning. Er moet iets gebeuren.
Sergej ziet hem als eerst en wijst naar de plaats. Een soldaat gaat op één van de boomstammen zitten. Hij steekt een sigaret op en blaast rookringen de lucht in. Zijn gezicht is jong, ergens in de twintig. Hij kan het zijn.
Opeens wil ik het doen. Ik pak het wapen van Pa en klik de beveiliging los. Vanuit mijn ooghoek moedigt Sergej me aan. Ik richt. Het is best ver. Bladeren en takken versperren mijn zicht. Mijn wijsvinger spant rond de trekker. Na drie keer diep ademhalen los ik een schot.
Ik mis.
De soldaat springt op.
Ik schiet nog een keer.
Raak.
Ik schiet nog een keer.
Weer raak.
De soldaat valt. Ik wil nog een keer schieten, maar Sergej trekt het wapen van Pa uit mijn handen. Hij weet duidelijk niet hoe je met een wapen omgaat, want hij lost bijna een schot op de wand van onze hut. Ik pak het wapen weer terug en klik de beveiliging vast.
Mijn ademhaling gaat zwaar. Mijn ribben doen pijn, heel erg pijn. Bijna denk ik dat alles over is. Een schreeuw echoot tussen de bomen. ‘Hey!’ Verschillende stemmen roepen woorden die ik niet kan verstaan. Twee mannen rennen de plaats op en buigen zich over de soldaat die ik heb neergeschoten. Eén van hen is Oom Gus.
‘Zolang ze ons maar niet zien’, zegt Sergej en trekt me naar het midden van de hut.

XIV

Oom Gus en de andere man gaan hulp halen. Wij klimmen uit de boomhut en rennen richting de brug. Er is een smalle stoep waar we achter elkaar lopen terwijl auto`s langs ons razen. Het reuzenrad achter de bomen kijkt op me neer. Zouden de mensen in de bakjes bovenin ons kunnen zien?
Sergej heeft geld. We gaan naar een café op de kade en kopen patat. Ik zie de zwerfhonden waar Silvie het over had. En de zwervers, in groepen op de stoep overal waar we komen. We gaan naar een ander café met uitzicht op de gigantische eik en drinken prik. Samen met anderen staan we een poos bij het platform met het peloton soldaten dat een verrader neerschiet. De hele tijd is Sergej schuin achter me. Vanwege het wapen. Het brandt tegen mijn rug. Ik durf mensen niet aan te kijken, want dan kunnen ze mijn gedachten lezen. Ik heb iemand gedood. Doodgeschoten. Vermoord.
We gaan naar weer een ander café en drinken chocolademelk en eten een punt taart. Dit café is rustig, is tegenstelling tot de vorigen. Er zijn maar acht tafeltjes, van hout dat er oud uitziet, of oud is. Boven onze hoofd hangt een lamp aan een lang koord. De lampenkap is een beige-roze dat het hout van onze tafel een metaalachtige glans geeft. Overal in het café hangen kleine schilderijen van de stad zoals die vroeger was, in zwart-wit, met mannen vol zwarte vlekken en op de achtergrond de toren van de kolenlift.
Sergej stelt voor dat we cadeaus kopen, voor onszelf en onze familie. Zodat het lijkt alsof we een dag weg waren, gewoon voor de lol. Ik knik en wens het wapen weg van mijn rug. Wat als iemand het ontdekt? Het drukt in mijn huid als ik tegen de leuning van mijn stoel ga zitten.
Sergej weet dat ik niet op mijn gemak ben. Maar of hij ook niet op zijn gemak is, kan ik niet zeggen. Het staalblauw is weer blank, of eigenlijk, neutraal, nee, onverschillig alsof hij alles wel weet, er geen problemen zijn in zijn leven.
‘Die man was dus niet je pa?’ vraag ik na een laatste slok chocolademelk en wil dan dat ik niets gezegd heb.
Hij observeert me. Zo voelt het. Hij staart, zijn hele gezicht gesloten. ‘Nee.’
‘Wie dan?’
‘Stiefpa.’
‘Heb je ook een zus?’
‘Zusje. Victoria. We zeggen Vika.’
‘Mijn zus heet Silvie. Ze gaat trouwen.’
Sergej neemt een hap taart en kauwt snel. ‘Wanneer gaan jullie weer?’
‘Morgen gaan we afbreken.’ Ik slik. Ik wil niet weg. Ik wil blijven. De boomhut afbouwen. Een keer samen met Sergej ballen gooien en laten zien dat ik het ook best kan. Weer naar het centrum. ‘Kom morgenavond’, zeg ik.
Hij knikt.
Ik koop een pet voor mezelf en een reep chocolade voor Ma in de eerste souvenirwinkel die we tegenkomen. Voor Silvie vind ik snoep waarvan ik weet dat ze het heel lekker vindt, maar ik wil iets dat blijft, iets om naar te kijken. Ik koop een paars-wit stuk gesteente waarvan ik geen idee heb wat het precies is, maar ik weet dat Silvie het mooi zal vinden. Sergej koopt bakmeel voor zijn moeder en bloemenzaadjes voor zijn zusje. En een kleine rugtas voor zijn stiefvader.
‘Dan blijft zijn lunch roetvrij’, zegt hij als ik vraag waarom.
Als we via de brug aan de kant van de kermis teruglopen, rommelt mijn maag hevig. Het is al na etenstijd. De zon staat laag. Ma zal bezorgd zijn. Oom Gus zal me zoeken. Iedereen zal mij zoeken. Lood laadt zich in mijn schoenen. Ik moet iedereen ontwijken. Want ik moet het wapen weer terugleggen voordat iemand erachter komt dat deze mist.
Onderweg hebben we codenamen bedacht voor onszelf. Als iemand vraagt met wie we waren vandaag, gebruiken we onze codenaam. Ik ben Hiro. Hij is Yaromir.
Het is tijd voor afscheid.
‘Dat was me een dag of wat, Yaromir?’ zeg ik en haat het hoe iel mijn stem klinkt.
‘Zeg maar Yaro, Hiro.’
‘Ik kan best je hele naam onthouden. Of korten jullie hier alles af?’
Hij grinnikt.
Ik grinnik ook.
Dan volgt er een moment met niets. Het gejengel van de draaimolen is weg. Het wapen dat tegen mijn huid vlamt, is weg. Er is alleen Sergej. Yaro. Het staalblauw dat nu verre van onverschillig is.
‘Tot morgen’, zeg ik en scheur me los van zijn ogen.

XV

Als ik de woonwagen van Pa en Ma binnenstap, zit Ma aan tafel.
‘Waar was je de hele dag?’ is het eerste dat ze zegt.
‘In de stad. Met Yaro.’ Ik laat haar de pet zien die ik heb gekocht en bied haar de reep chocolade aan.
‘Waarom heb je niets gezegd?’ Ze staart naar de reep maar pakt deze niet aan.
‘Niet aan gedacht. We hadden niet verwacht zo lang weg te blijven.’
Er verandert iets aan haar gezicht. De lijnen in haar wangen worden dieper.
‘Waar is Oom Gus?’
Ik trek mijn schouders op. Ma kijkt echt bezorgd. ‘Weet ik niet.’
‘Heb je hem gezien vandaag?’
‘Nee.’
‘Spreek met twee woorden!’ Ma’s nek kleurt rood.
‘Nee, Ma’, zeg ik en zoek de vloer af voor een kruimel of vlekje om naar te staren.
Zou ze weten dat er een soldaat dood is? Dat Oom Gus samenzweert met soldaten? Dat ik in de hut zat die ze ongetwijfeld gevonden hebben?
Ma staat op en klapt de deur hard achter zich dicht. Mijn benen trillen. Ik ben misselijk. Ik wil me verstoppen in een boomstam, zoals een uil, en wachten totdat iedereen mij vergeten is. Maar dat kan niet. Ik moet het wapen terugleggen.
Het kost me lang om mezelf naar het keukenblok te laten lopen. Op de achtergrond gilt iemand die door de salto gaat. De draaimolen jengelt. Mijn hart klopt hoog in mijn keel. Ik leg de pet en de reep op het aanrecht. Er staat nog afwas van minstens twee dagen. Sinds wanneer is Ma zo slordig geworden? Ik haal diep adem en haal het wapen uit mijn broek. Het ligt groots in mijn hand. Onverslaanbaar. Op het moment dat ik het kastje met de theedoeken opentrek, komt er iemand binnen.
Ik verstijf. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat het Silvie is. Ze kan het wapen zien.
‘Niet tegen Ma zeggen’, is alles wat ik kan uitbrengen. Ik had moeten zeggen: “Ik controleerde alleen of het wapen er nog ligt.” Of beter van niet, want waarom zou ik dat willen controleren? Wist ik dan van de dode soldaat en dat hij was neergeschoten met een wapen zoals Pa heeft? Ik had moeten zeggen: “Ik was vergeten dat Pa hier zijn wapen bewaarde. Ik wilde een theedoek pakken. Om de afwas te doen.”
Silvie draait zich om. De deur valt achter haar dicht, maar zachtjes, alsof ze wil verbergen dat ze hier was.
Ik leg het wapen weg. Dan was ik mijn handen met zeep, wel drie keer. Mijn handen voelen droog en er ontstaan barstjes bij mijn nagelriemen. Al het kruit moet er nu af zijn.
Mijn honger is weg. Ik ga naar mijn eigen woonwagen en plof op bed. Er zijn veel drukke stemmen vlakbij, maar ik kan niet horen wie, of waar over gepraat wordt.
Na een tijd word ik achtervolgd. Ze zoeken mij, mij! Ik sleep mezelf voort door drijfzand, ik zoek naar afslagen in een eindeloze straat zonder ramen of deuren, ik rol mezelf op achter een haag op de kermis en blijf wachten op het moment dat mijn achtervolger voorbij rent. Dat moment komt niet. Ik zie Oom Gus. Hij draagt grote, zwarte laarzen en komt dichterbij. Ik wil wegrennen, maar hij heeft me gezien. Ik wacht op klappen maar die komen niet. Dan is Silvie er. Ze wervelt in haar driekleurige jurk, rond en rond op het podium. Mensen klappen als ze opstijgt. Er speelt muziek. Uit de speakers. Het geluid verdwijnt. Ik kijk toe vanaf de achterste rij, waar ik stiekem ben binnen geslopen. De mensen klappen niet meer. Het is zo stil dat ik alleen bloed hoor suizen in mijn oren. Alleen Silvie’s voeten zijn zichtbaar. Ze beweegt haar tenen op en neer, op en neer. En op en neer tot het licht uitgaat.
Alles wordt staalblauw.
Staal.
Plafond.
Mijn hele lichaam is bedekt met zweet. Ik lig onder het dekbed, met mijn kleren nog aan. Ik sla het dekbed af. Koelte trekt over me heen. Naast me ligt Silvie. Ik luister een poos naar haar ademhaling en besluit dat ze niet slaapt. Ik kruip tegen haar rug, zo dicht als ik durf. Het voelt als de laatste keer. Ik weet niet eens wanneer ze gaat trouwen. Het zal wel niet morgen zijn. Er moet een locatie worden gezocht. Er moet eten worden gemaakt, een jurk, bruidsmeisjesjurken, bloemstukken. Er moeten gasten worden uitgenodigd.
Als ik weer wakker word is het al ver op de ochtend. De pijn in mijn ribben is minder. Misschien kan ik morgen weer trainen met Ibri. Na een shake van rauwe eieren ga ik naar buiten, de kermis op. Overal waar ik kom let ik op of Oom Gus er niet aankomt. Ik verwacht dat hij in de stad is, om de politie te vertellen wat hij heeft gezien. Hij hoeft niet eens te liegen. Maar ze zullen hem als verdachte zien. Ik denk aan wat Pa altijd zegt: ‘Kermisvolk is vrij. Daarom moeten wij extra opletten. We laten ons niet bedonderen.’
Dat zegt Pa altijd als hij er is.
Maar Pa is er.
Ik zie hem staan bij Ibri, die zijn hand over knoppen laat gaan om de achtbaan te starten. Het haar bij zijn slapen is grijzer dan ik me herinner en ook zijn schouders staan meer naar voren. Zodra Pa me ziet, wordt zijn lach wijder.
‘Ben!’ zegt hij en drukt me tegen zich aan.
Het doet pijn in mijn ribben. Ik probeer me los te trekken maar wil tegelijkertijd dat hij niet stopt me te omarmen.
‘Ibri vertelde dat ze je te pakken hebben gehad.’
Pa laat los.
Ik tuf op de grond en wil wat zeggen, maar mijn tong plakt aan mijn gehemelte. In elkaar geslagen worden door een jongen uit de buurt is precies iets waar kermisvolk extra voor moet opletten. Schaamte brandt op mijn wangen hoewel dat helemaal niet is wat er gebeurd is. Ik wil Pa de waarheid vertellen. Maar dan laat hij zijn hand hard op mijn schouder komen en zegt: ‘We hebben het er nog wel over’.

XVI

Terug in mijn woonwagen haal ik de steen voor Silvie uit mijn broekzak. Ik pak een oude krant en wikkel de steen daarin. “Silvie”, schrijf ik erop met een dikke rode stift. Ik leg het pakketje midden op tafel. De rest van de dag lig ik op bed. Ik wacht op Sergej. Zou hij ook op zijn bed liggen? Of moet hij werken? Misschien verkoopt hij drinken aan mijnwerkers. Werkt hij in een winkel. Of in een garage. Nee, hij steelt. Eten en drinken van oudere mensen of vrouwen met een kind, die kunnen niet rennen. Of hij is bendeleider. Dan zegt hij anderen voor hem te stelen. Hij heeft een zakmes. Hij is de baas.
Ik schrik op van een bons op de deur. Het is Pa. ‘Kom je even mee?’ zegt hij.
Ik krijg het koud van Pa’s blik. Hij weet iets. Weet hij van het geld? Van het wapen? Van de dode soldaat?
Er komt een knoop in mijn maag, een hele grote, stevige. We lopen naar de ingang van de kermis. Naar de parkeerplaats, langs rijen auto’s tot bijna achterin. Daar staat een busje met ernaast twee mannen in uniform en een vrouw met een clipboard. De vrouw is mager en draagt een half brilletje. Ze heeft lichtgrijze ogen die mij scannen alsof ik een nieuwe diersoort ben.
Pa schudt handen met haar.
‘Benjamin?’
Ik knik. Pa geeft me duw tegen mijn rug. ‘Ja, mevrouw’, zeg ik.
Ze schrijft op het clipboard. Het gekras van haar pen is driftig.
‘Ik heb begrepen dat jij niet zo op soldaten gesteld bent. Misschien dat je zelfs de regering helemaal niets vindt.’
Iets knijpt mijn keel dicht. Wat de vrouw zegt is gevaarlijk om te zeggen. Ze kunnen je oppakken en doodschieten en dat uitzenden op tv. Kan ik wegrennen? Wie heeft me verlinkt? Ze hebben de hut gevonden. Ze kunnen nagaan dat de soldaat is beschoten vanuit de hut.
Silvie.
Silvie weet van het wapen.
Heeft zij me verlinkt?
‘Pa, waarom ben ik hier?’ pers ik uit mijn mond en hoop dat de vrouw zegt dat we een waarschuwing krijgen. Want ik ben pas elf.
‘Het is veiliger’, zegt Pa alleen en staat dan toe dat de twee mannen in uniform me vastpakken.
‘Ken je deze jongen?’ vraagt de vrouw en schuift de zijdeur van het busje open.
Het is Sergej. Hij zit op de achterbank, zijn handen niet in zijn zakken omdat rond zijn polsen handboeien zitten die met een ketting vastzitten aan een haak net onder de zitting.
Ik ruik appel. Het komt van de vrouw die dicht naast me staat.
‘Wat is zijn naam?’
Sergej staart voor zich uit alsof wij allemaal er niet zijn. De huid bij zijn kaak spant strakker dan anders.
‘Y-yaromir’, zeg ik.
‘Mooi’, zegt de vrouw.
De mannen duwen me op de achterbank en klinken boeien om mijn polsen die ook worden vastgemaakt aan een haak onder de zitting. Het laatste wat ik zie voordat de deur dichtklapt is het gezicht van Pa. Er zijn meer rimpels in zijn gezicht dan ik ooit heb gezien.

 

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction, PP side-stories and tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s