Reisgezellen

Het rammelen van de trein nestelde zich ook in mijn lichaam. Er was angst die omsloeg naar boosheid, en weer terug naar angst. De handafdruk van Josh op mijn bovenbeen brandde nog steeds. ‘Tu est tout pour moi’, had hij gezegd. Het was zijn beurt geweest om eten te halen. We wisten nooit hoe lang de trein stil zou staan. Onze wagon had geen ramen of zitplaatsen. We zaten tussen kisten waarvan we niet wisten wat er in zat. Tijdens elke stop gierden zenuwen door mijn onderbuik. Als iemand ons ontdekte zouden we gevangen genomen worden.
De kieren rond de schuifdeur gaven aan of het buiten donker of licht was. Hoe kouder de tocht die langs mijn rug streek, hoe sneller de trein reed. Voor en na elke stop en soms onverwacht na uren onafgebroken rijden, denderde de trein over een wissel. Mijn achterhoofd kon niet nog meer klappen aan, dus ik leunde niet tegen de houten wand van de wagon, maar op Josh. We hielden elkaar in evenwicht en vingen samen het schudden op. Na al die jaren zonder elkaar waren we weer met elkaar geweest, en gelukkig.
Het moment dat de trein begon te rijden en Josh er nog niet was, dacht ik mezelf in hoe hij in een andere wagon was geklommen. Want het was ver lopen geweest naar een plaats om eten te halen. Want hij had zich vergist in de wagon. Bij de volgende stop zou hij er weer zijn.
Tegenover me zat Yaro. Hij was de smerigste eikel die ik kende. Het was iets met zijn ogen. Zijn ogen waren van het kilste staalblauw dat ik ooit had gezien. Er leefden geen emoties in hem. Ik had het moeten weten vanaf het moment dat Josh me vertelde dat Yaro iemand vermoord had al voordat hem geleerd was te moorden.
Hij staarde naar me. Wilde hij paniek zien? Ik gunde het hem niet.
Het rammelen en schudden hield uren aan. Soms dacht ik dat de wagon uit elkaar zou trillen. De kieren met licht verkleurden tot een oranjerood en werden uiteindelijk donker. De temperatuur daalde. Ik droeg alleen een broek en een shirt met lange mouwen. Algauw rilde ik over mijn hele lichaam en waren mijn vingers zo koud dat ik ze niet meer kon buigen.
Yaro leek het niet koud te hebben. Ik snapte niet hoe Josh vrienden met hem was. Hij had niet alleen geen emoties, maar ook geen gevoel. Misschien stroomde er wel geen bloed door hem. Hij was er bleek en benig genoeg voor.
Ik had gedoezeld toen de trein tot stilstand kwam. Yaro stond op en verliet de wagon. Pas na een paar minuten drong het tot me door: het was zijn beurt om eten te halen. Hij kwam terug met twee hamburgers, twee bakjes friet, en twee bekers met een warme vloeistof en zette alles tussen ons in.
Er was niets voor Josh. De boosheid nam even over. Waarom liet Josh me in de steek?! Daarna was er angst: hadden ze hem gepakt?
Ik probeerde naar het midden van de wagon te kruipen, maar dat lukte slecht omdat mijn ledematen verkrampt waren. Yaro merkte het. Ik verstijfde nog meer omdat hij dichterbij kwam. Hij knielde naast me en legde zijn hand over de mijne.
‘Raak me niet aan’, wilde ik zeggen, maar mijn lippen waren zo gevoelloos dat ik alleen onverstaanbaar mompelde.
‘Je bent koud. Waarom heb je niets gezegd?’
Yaro ging achter me zitten en omarmde me volledig. De warmte van zijn lichaam straalde in mijn rug en armen. De lucht die hij door zijn neus uitblies streelde mijn nek in een ritme zo rustig dat ik wist dat hij niet bang was.
Ik was het wel.
De trein begon te rijden. Het spoor moest oud zijn, want bij elke wissel schudde de wagon harder heen en weer dan eerst. Yaro`s omarming werd strakker. Hij was sterk genoeg om me dood te knijpen. Ik pakte een bakje frietjes en stond toe dat Yaro er ook uit at. Toen alles op was liep hij alle kisten langs en wist één van de deksels open te breken. Hij vroeg me dichterbij te komen. In de kist zaten ontelbaar veel witte plastic bolletjes die me warm konden houden.
De bolletjes knerpten onder mijn gewicht. Yaro zakte naast me. Het paste net. De wagon schommelde en de bolletjes rolden heen en weer. Yaro rook naar zweet en zand en hij leunde steeds zwaarder tegen me aan. Er was geen ruimte om weg te schuiven.
‘Blijf’, zei hij ineens. Hij greep mijn pols, maar zachtjes.
Droomde hij? Dacht hij dat ik zijn vriendinnetje was?
‘Komt Josh terug?’ vroeg ik.
Yaro ademde diep in en uit. ‘Ga slapen.’
Ik wilde niet huilen maar het gebeurde toch. Yaro liet mijn pols los. Zijn hand verdween onder de laag witte bolletjes en kwam weer tevoorschijn met een verfrommelde zakdoek, voor mij. Na een tijdje pakte hij de zakdoek terug en droogde zijn eigen wangen.
‘Je bent niet de enige die iemand mist’, zei hij tegen de wand van de kist.
We sliepen. Het afremmen van de trein maakte ons wakker. Buiten was het licht.
Yaro keek uit de wagon. ‘Nog twee stations’, zei hij. ‘Dan gaan we eruit.’
‘Waar gaan we heen?’
Hij staarde weer naar me. Ik kon niet lezen wat hij dacht. Het staalblauw van zijn ogen leek een spiegel. Zijn wapen lag aan de overzijde van de wagon, maar hij had ook een mes, wist ik. Er was opeens angst diep in mij, angst om dood te gaan en Josh nooit meer te zien.
De trein kwam in beweging.
Yaro sloot de schuifdeur en ging op Josh’ plek zitten.
Ik aarzelde, maar terwijl de trein de eerste wissels passeerde, kroop ik naast hem.
De laatste stop was vlakbij zijn thuis. Tot daar hielden we elkaar in evenwicht.

Uit: Puzzelstukjes

 

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction, PP side-stories and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s