Eemland en de Kieviet

Aan de noordzijde van Amersfoort was een eeuwig groen veld doorkruist met houten hekken, sloten, en verraderlijk steile oevers gevuld met de prachtigste gele bloemen. Daar waren de eenden, de meerkoeten, de reigers, de grutto’s, de ganzen en de zwanen de baas. Maar bovenal de kievieten. Het gekrijs van de moeders schalde over de vlakte zodra we naderden. Papa had scherpe ogen en wist altijd waar de jongen zaten. Hij parkeerde zijn fiets en liep het eeuwig groene veld in hoewel er overal borden stonden dat je niet van de paden af mocht. Wij volgden en speurden de grond af voor een ineengedoken kievietsjong. De moeder schreeuwde haar kinderen toe niet te bewegen. Dat deden ze meestal wel. Zo’n bolletje wol op griezelig lange poten dat zich door de tractorsporen van afgelopen jaar haastte en dan opeens voor mijn voeten stond was het mooiste dat elke lente kon gebeuren.

Het duurde niet lang voordat het eeuwig groene veld aan de andere kant van de A1 moest plaatsmaken voor bebouwing. Gelukkig was de wijk Vathorst er niet ineens. Jarenlang stonden de huizen en de wegen ernaartoe in de steigers. Er waren braakliggende velden omdat de crisis het één en ander vertraagde, plus de regen in combinatie met slechte afwatering creëerde een heel nieuw eeuwig groen veld. De watervogels paradeerden nog steeds, in het gezelschap van muizen en kikkers en kraaien. In vijvers van amper een paar meter doorsnede trapten eenden met een slinger kuikentjes achter zich stevig door. Soms waren er vlinders, mussen en vinken en steeds vaker een Vlaamse gaai. Op zwoele lenteavonden reden we stapvoets langs alle poelen en stroken gras achter hopen zand. Hoewel we als smoesje konden zeggen dat het felrood van de laagstaande zon in onze ogen ervoor zorgde dat ons zicht niet optimaal was, de kievieten zagen we niet.

We verbaasden ons over het gemak waarmee dat vlakke land met hier en daar een boom en hier en daar een boerderij plaatsmaakte voor de huiselijkheid van een woonwijk en hoe moeilijk we daar aan wenden. Nog elke lente en zomer fietsten we via de Heideweg naar Hooglanderveen, hoewel dat een stuk minder spannend werd onder de aanblik van pas opgetrokken huizen met lege grijze woonkamers en pioniers onder het keukenraam. Wat het nog een beetje spannend maakte waren de maanden dat het fietspad dat vanaf de Oude Veenweg naar de polderbuurt van Vathorst moest lopen een grote verzameling kuilen en keien was wat nog iets prijsgaf van de woestenij die het daar ooit was. In die paar vierkante meter zagen we kale grond ontwikkelen tot een veld met wuivende bloempjes en merels die recht onder onze neus wormen uit de grond trokken. Uiteindelijk hebben ze dat alles bestraat voor een parkeerplaats.

Als het strandweer was fietsen we over de Palestinaweg naar polder Arkenheem en één van de strandjes aan het Nijkerkernauw, via de grillige loop van een weg die niet meer bestaat. We kenden elke boomwortel onder het asfalt, elk molentje in de voortuin van een boerderij, en elk fietsroutebordje. Op één zomerdag trotseerden we een noordwesten wind die zelfs de eiken bijna kromtrok. Ik kon drie dagen moeilijk ademhalen, laat staan lachen, maar die dag waren we wel een stuk akker opgelopen en had Papa me een kievietsjong laten oppakken.

Op andere dagen reden we richting Bunschoten-Spakenburg en hoorden, als het windstil was, het klotsen van water dat door het stuwtje in de Laak stroomde. De eerste keer dat ik over de dijk spiekte en zag dat het water aan de andere kant minstens een meter hoger stond dan het fietspad, vroeg ik me af of de schapen niet bang waren. Maar nee, de schapen waren eerder bang voor mij en het wildrooster waar ik stiekem ook wel bang voor was. Ik hield mijn stuur altijd heel stevig vast als ik daar overheen reed.

De Laak is nu onderdeel van een quasi-Amsterdam met smalle grachtenpanden en onmogelijk steile boogbruggen. Het is best mooi, dat moet ik toegeven, maar toen ik erachter kwam wat er, iets verder noordoost, tussen de A28 en de noordgrens van Vathorst, was, wist ik dat vroeger voorbij was. Want iets verder noordoost lag de vogelvijver, waar ik voor het eerst een duiventil van dichtbij had gezien en had gehoord over scholeksters. Waar naast gewone eenden, meerkoeten en waterhoentjes, ook vogels zwommen die zulke vreemde kleuren en afmetingen hadden dat ze niet anders dan uit een sprookje konden komen. Rond de vogelvijver waren bomen hoger dan elders, een theehuisje met veranda waar nooit iemand zat, en een oude man in overall die je kon horen aankomen vanwege zijn klepperende klompen. Papa praatte altijd met die man terwijl ik me vergaapte aan die enclave van sprookjesland, die voor mij het verste punt van het land rond Amersfoort markeerde. Als Vathorst helemaal tot aan de vogelvijver was gebouwd, dan was al het groen van ons eeuwig groene veld voorgoed verdwenen onder eengezinswoningen, plakken asfalt, en het park rondom de boom van Prinses Amalia.

Elke week fiets ik over de Heideweg Vathorst in om bijles te geven. Waar ooit een eeuwig groen veld was met vogels en water en de uitgestrektheid van natuur op maar een paar minuten van waar mijn ouders wonen, zijn nu straten ommuurd met huizen en flats en keurig gesnoeide struiken en straatnaambordjes die allerlei exotische plaatsen als “Victoriameer” en “Cycladen” vermelden, en allerlei bergen en polders, alsof dat ons eeuwig groene veld en de kieviet kon vervangen.

Papa kreeg pensioen en kon niet tegen binnen zitten. Alle dagen dat het mooi weer was beloofde hij Mama voor half zes thuis te zijn en vertrok op zijn fiets. Er waren tijden dat ik dacht dat het groen en de vogels, en vooral de kieviet, voor altijd weg zouden zijn. Dat Papa extra kilometers maakte, dwars door het resultaat van alle Vinex-plannen, om met zijn eigen ogen eeuwig groen veld te zien en met zijn eigen handen kievietsjongen vast te houden. Maar op een dag kwam Papa thuis en vertelde dat hij kievietseieren had gevonden op een braakliggend terrein tussen de geluidswal naast de A1 en de Boulevard.

De Boulevard is het pronkstuk van Vathorst, de rondweg waar durf-als met tachtig door de bochten scheuren en de rotonden genummerd zijn, waardoor alle infrastructuur in het hart van Vathorst 30-zone is en aldus vriendelijk voor wandelaars, kinderfietsjes en rollators. Ik ging mee om het zelf te zien. En in fragmenten eeuwig groen veld langs de Boulevard krijsten kievietsmoeders terwijl ik een bolletje wol met griezelig lange poten oppakte en zijn hartje voelde kloppen tegen mijn handpalm.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in True Stories and tagged , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s