De accesoire

Ze zwijgt. Ze zwijgt als de witte stippen op haar bloes, witte stippen die dienen als decoratie maar wit en rond nietszeggend zijn. Tegenover haar zit een man. Hij heeft een huid getaand door de Mediterrane zon en grijs haar dat artistiek alle kanten op springt. Alles aan hem is hoekig, alsof hij uit steen gehouwen is maar nooit is afgewerkt.
‘Ik was ook zoekende’, zegt hij. Zijn rechtervoet tapt aritmisch onder het tafeltje. Het zal vast niet lang duren voordat hij zal opstaan.
Het meisje roert fanatiek in haar chocolademelk. Bij elk rondje schiet het lepeltje tegen de linkerkant van haar mok, met een luid “kling”. Ze staart naar het midden van het tafelblad. Het is iets aan haar ingezogen wangen dat nieuwsgierig maakt. Wie is ze? Wie is de man?
De man legt zijn hand over de hand van het meisje. Ze stopt met roeren. Ze stopt voor een moment met ademhalen en als ze had gekund, had ze zichzelf opgerold in een hoekje zodat niemand haar kon zien.
De man draagt geen trouwring. Het meisje ook niet. Een meisje met zo’n fris gezichtje als zij zou nooit het bed delen met een man die gemakkelijk haar vader kan zijn. Toch zijn er beelden van dat meisje bovenop en kuchend gekreun van de man eronder.
De man drinkt rode wijn. De fles staat op het tafeltje; hij is vast een levensgenieter. Het meisje drinkt geen wijn. Haar ogen volgen nauwgezet hoe de man een slok neemt en zijn dunne lippen smakt.
De man heeft grote handen met kloofjes aan de nagelriemen. Hij peutert aan de velletjes terwijl het meisje haar benen telkens andersom over elkaar slaat.
‘Zullen we gaan?’ vraagt de man.
Het meisje wil haar hoofd schudden. Ze wil haar hoofd schudden want haar nekspieren spannen aan maar ze doet het niet.
De man betaalt aan de bar en geeft een grote fooi. Het meisje staat ernaast in shorts en haar bloes met witte stippen, een en al slank en rond en stralend alsof ze niet liever door de grond verdwijnt.
Het meisje houdt de hand van de man vast terwijl ze naar zijn auto lopen. Hij laat haar nooit rijden. Hij weet niet dat ze dat wel kan. Ze rijden langs een bos. Als het meisje haar ogen sluit loopt ze naast een jongen die haar van het bospad duwt en roept: ‘Lelijk wijf!’
Na een half uur zijn ze bij het huis van de man. Het huis is vrijwel onzichtbaar achter een muur van dennenhaag. Bij de oprit staat een hoog, metalen hek dat knarsend openschuift als het meisje op een knopje in de auto drukt. De man glimlacht. Ze glimlacht terug.
Het huis is gebouwd van donkere bakstenen. Alle raamkozijnen zijn wit, net als de deur, en alle muren binnen. Het huis ruikt naar citroen, want de man wil dat ze schoonmaakt met middelen die daarnaar ruiken. Boven zijn drie slaapkamers en een badkamer met een ligbad van roze marmer.
‘Ga in bad’, zegt de man en duwt haar de trap op. Bij elke stap stijgt de geur van nieuwe trapbekleding omhoog.
Het meisje weet dat de man graag kijkt hoe ze met zichzelf speelt. Terwijl hij in de deuropening staat blaast ze sop opzij en laat haar handen onder water.
De man droogt haar af en neemt haar mee naar de woonkamer. Op de grote witte bank kijken ze een film. De man aait haar als een hondje. Hij neemt haar als een hondje. Terwijl zijn handen over haar dijen glijden, volgt het meisje het wiegen van de wilgentakken in de tuin. Soms wil ze een grote wilg zijn, robuust en diepgeworteld.
De man trekt haar naast zich en begint haar haren te vlechten. ‘Vroeger vlocht ik het haar van de poppen van mijn zus’, zegt de man. Op de schouw staan vijf miniatuur brandweerauto’s en een kazerne van lego. Soms zet de man de kazerne op de grond en rijdt de brandweerauto’s in en uit de garages. Vanuit zijn keel komen sirenegeluiden en de stemmen van brandweermannen.
Op veel dagen is de man niet thuis. Hij doet zaken in zijn pak. Dan eet het meisje haar lunch alleen in de serre. De wilg wiegt heen en weer. Voor haar op tafel ligt een krant. Met een potlood heeft ze cirkels gezet om de vacatures waarop ze wil reageren. Ooit bracht ze drankjes naar mannen die op haar billen tikten, of een fooi in haar BH propten. ‘Stuk vuil’, zei haar moeder als ze thuiskwam. Dat wil ze niet meer.
In het kastje van het wandmeubel naast de keuken is een album met vele foto’s, allemaal van de man met andere meisjes. Die avond vraagt ze de man waar die meisjes zijn.
De man gooit de theepot op de grond. Scherven vliegen over de vloer die ze zo zorgvuldig geboend heeft. ‘Voorbij’, zegt de man alleen. Zijn hele hoekige lichaam schudt. ‘Kom hier.’
De grote handen met kloofjes betasten haar. Haar frisse gezicht verkrampt in de reflectie van de magnetron. Ze denkt aan de vacatures in de krant.
Het meisje frutselt aan de knoop van haar jeans. Vandaag lopen er blauwe streepjes over haar blouse, blauwe streepjes die door de man gevolgd worden tot hij één voor één de knoopjes losmaakt.
‘Je bent zo mooi’, zucht hij.
Het meisje glimlacht. Niemand anders zegt haar dat ze mooi is.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction and tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s