Nachtmerries III

`s Nachts ligt Yaro naast me. Hij ligt naast me als ik wakker schrik van dromen vol schaduwen waarvan ik niet weet wat het zijn en stemmen waarvan ik niet weet wat ze zeggen. Hij ligt naast me als ik het donker van de kamer afzoek naar bewegingen, of wacht totdat ik zware voetstappen hoor en moet rennen anders zullen ze me pakken. Soms legt hij zijn arm over me heen, alsof hij weet dat angstzweet mijn slaapshirt heeft doorweekt en de kou die tussen de houtkieren door over de vloer slingert mij gegrepen heeft.

Ons samen liggen is een samen zwijgen. Als ik huil verberg ik mezelf tegen zijn borstkas en wacht totdat ik het kloppen van zijn hart tegen mijn wang voel. Hij houdt me vast. Hij ademt totdat de zwarte chaos die zich rauw omwentelt in mijn borstkas minder wordt, totdat ik weer grip heb op het bed, zijn lichaam, mezelf. Soms voel ik zijn harde penis tegen mijn onderrug. Zodra hij dat zelf doorheeft, draait hij weg. ‘Sorry, dat gaat vanzelf’, zei hij de eerste keer. Ik vind het niet vervelend dat ik hem voel. Hij heeft gezegd dat hij mij niet zal aanraken. Maar steeds vaker brandt er iets in mij, in mijn borstkas en lager. Is dat wat hij voelt? Yaro is niet meer bleek en benig. Misschien omdat hij meer buiten komt sinds hij in de garage van Dotan werkt. Misschien omdat hij beter eet sinds ik voor hem kook. Misschien omdat hij geen jongen meer is. Misschien gaat het gewoon beter met hem.

Van Vera, Yaro’s moeder, mag ik koken. Ze heeft me geleerd een kip te slachten, bouillon te trekken van mergpijpjes, en kruiden te vinden langs de zandpaden rondom het dorp. Haar pezige handen snijden groenten, geven mij een mes, vertrouwen mij dat ik het mes alleen gebruik om de groenten te snijden. Ik snijd knoflooktenen in plakjes, en tomaten in schijven, pepers in stukjes, terwijl het vlees sputtert, het water van de aardappelen kookt, de saus indikt en de geuren me herinneren aan de geuren van vroeger, in de keuken thuis, in keukens van anderen waar ik puzzelde met smaken en geuren en me liet verdoven door de sensatie.

Als Yaro en Dotan ’s avonds thuiskomen brengen ze een walm van olie en benzine mee de kamer in. Vuil schilfert onder hun nagels vandaan, op het kleed voor de sofa waar Dotan Vera een kus op haar wang geeft, en op het tafelkleed waar de twee mannen zwijgend wachten hoe ik borden met dampend eten voor ze neerzet. Vera moppert, veegt met een vochtige doek de vuilschilfers op en veegt speels over de wangen van Dotan, niet die van Yaro.

Staande bij het aanrecht kijk ik toe hoe de mannen mijn eten naar binnen schuiven. Ik roer in een pan met suikerstroop maar let up hun kauwen, hun slikken, de snelheid waarmee ze eten. In gedachten loop ik mijn recept na, de grootte van de aardappelblokjes, de dikte van de saus, de specerijen door de groente, de blaadjes van de kool – heb ik genoeg verse uit het midden gebruikt? – en het vlees. Het vlees had langer mogen rusten, had malser kunnen zijn, maar de mannen vegen al met een snee van het brood dat Vera en ik gisteren gebakken hebben het laatste beetje saus en vleessap van hun bord. Hun ogen richten zich op mij, glinsterend met de vraag of er nog meer is. De donkere, gemoedelijke ogen van Dotan; de blauwgrijze, koele ogen van Yaro. Ik heb geleerd dat er geen kilte in zijn ogen huist, en ook niet in hem. Zijn ogen zijn een spiegel. Hij laat niemand toe.

Het halfzusje van Yaro, Vika, helpt me elke avond met de afwas. Ze decoreert me met sop, hoewel ze al een vrouw begint te worden. Ze trekt me naar de sofa om een boek te lezen en kruipt half op schoot. Ik kan de woorden in haar boek niet lezen maar Vika leest mij voor terwijl haar vingers met rozige nagels driftig heen en weer cirkelen over de plaatjes. Soms wil ik de hele nacht met dat meisje zitten en de geur van zand en zoetigheid en onschuld ruiken. Ik wil zijn als haar. En soms springt ze op Yaro’s rug en laat hem paardje rijden door de woonkamer, en door te tuin en soms helemaal tot het einde van de straat en weer terug. Yaro lacht altijd. Het maakt me blij hem te zien lachen.

Zal ik ooit weer lachen?

Elke avond sta ik een paar minuten voor het raam. Achter de dakkappellen van de huizen aan de overkant is de hemel blauw, en deze eindigt met de heuvelrug waarin de mijnen liggen. Ik zeg tegen mezelf dat het best goed gaat. Ik rust mijn schouder tegen de smoezelige gordijnen, vraag me af hoe lang ik blijf. Hoe veel dagen ik nog mag koken. Dan rol ik onder de dekens en luister: een giechel van Vika, stromend water, voetstappen en het kraken van de vloer, passerende stemmen buiten, een duif die roekoet, het ruisen van bloed in mijn oren.

Soms knielt Yaro voor mijn bed. Elke keer ben ik bang dat hij gaat zeggen dat ik vannacht alleen moet slapen. Dat ik morgen naar een instituut moet. Dat hij weggaat. Ik denk al aan morgen, aan de groenten die Vera heeft gehaald op de markt, vlees van welk dier ze in de koeling heeft gelegd, of ik nog kruiden nodig heb voor wat ik wil koken. Maar hij vraagt elke keer of ik wil dat hij blijft. Ook vandaag. Ik knik. Tranen ontsnappen. Yaro veegt ze weg, met vingers die warm en eeltig zijn. Hij kietelt mijn wang. Ik weet niet of ik schrik van het geluid van mijn eigen lach, of het brandende gevoel in mijn borstkas en lager.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in PP side-stories and tagged , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s