“De Verrader”

Elke ochtend brengt Fedor mijn medicijnen in een plastic doosje. De pillen rammelen als hij het doosje neerzet op tafel. Ik schuif het doosje open strooi de pillen op een bord. De gele en de rode pil bij elkaar; de drie witte bij elkaar; de groene en de andere gele bij elkaar; de bruine blijft alleen. Fedor wacht in de deuropening met zijn armen strak langs zijn lichaam en zijn gezicht als een masker gevangen door bruin haar. Ik leg de gele en de rode pil op mijn tong. Het bittere trekt tot ver in mijn slokdarm als ik slik. Aan de muur hangt de foto in A3-formaat. Een tienermeisje, bruin haar, bruine ogen, met een schietwapen in haar hand, en een V-vormig litteken aan de binnenkant van haar linkerpols. Mijn kaken verkrampen. De Speciale Eenheid zoekt overal, maar niemand weet waar ze is.
‘Excellentie?’
Een paar van de medailles op de linkerborst van mijn uniform rinkelen als ik ga zitten en Fedor mij mijn laarzen laat aantrekken.
Tijdens de vergadering blijkt dat niemand iets weet over dat meisje. Mijn vuisten ballen zodra de aanwezigen de ruimte verlaten, maar een opstopping veroorzaken bij de deur. Alleen Fedor, en twee jonkies, Lorin en Sonja, blijven over. Ze staan bewegingloos aan de andere kant van de ovalen tafel, op de plaats rust, zoals het hoort. Zonlicht van buiten snijdt door een waas van dansende stofjes. Over het kruispunt beneden razen auto’s zodra het stoplicht op groen springt. Op de markt daartegenover schreeuwen verkopers. De kraag van mijn uniform klemt strak om mijn nek. Het is de warmte, de gebrekkige isolatie, dat weet ik wel. Maar de ramen blijven dicht. Ik kan geen risico’s nemen.
In mijn binnenzak zit een kleine versie van de foto. Soms verschijnt ze in mijn dromen. Ze richt haar wapen op mij maar ik word altijd wakker voordat ze de trekker overhaalt. Soms zit ze op de stoel in mijn kamer, plannen te beramen, trommelt met haar vingers op tafel tot ik doorkrijg dat het mijn verbeelding is. Soms denk ik eraan dat ze haar vinden en dat ik mijn naam in haar kras, zoals het hoort.
Fedor staart naar de muur, waarschijnlijk naar één van de portretten van mijn voorgangers. Druppeltjes glinsteren op zijn voorhoofd. De twee jonkies slaan rood uit, vooral Sonja. Ik weet dat zij en Lorin het doen. Gezien haar omvang zal ze wel niet bovenop gaan.
Ineens wil ik haar, met gespreide benen voorovergebogen op de ovalen tafel. Ik geef Fedor een knikje.
‘Sonja blijft’, zeg ik. De galm van de dichtslaande deur is nog niet uitgedoofd als het bleke van haar rug en billen me al uitnodigt. Ze praat niet als mijn duimen haar dijen kneden. Amper minuten later klopt er iemand op de deur, waarna Fedor zonder toestemming van mij binnenkomt.
‘Excellentie, een noodsituatie.’ Zoals vanochtend staat hij in de deuropening, zijn armen strak langs zijn lichaam maar zijn gezicht vergeven van iets dat ik niet kan thuisbrengen. ‘We hebben haar gevonden.’
Hij kijkt me niet aan, maar ik hoor de opluchting in zijn stem. Sonja ligt nog steeds voorover op de tafel als ik de ruimte verlaat Ze huilt geluidloos. Is ze niet blij dat we die verrader eindelijk gevonden hebben?

Helena, heet ze. Elke ochtend als ik mijn pillen slik stel ik me voor dat ik op een ochtend mijn pillen slik als ze er niet meer is. Het denkwerk laat ik over aan Fedor en de anderen. Ik zeg alleen wat ze moeten doen. Ik weet wat er moet gebeuren om mijn soevereiniteit te bewaken. Alle onruststokers moeten uit de weg worden geruimd. Want ontruststokers tonen geen respect voor alles wat ik de mensen heb gegeven: werk, educatie, zorg, voedsel, en recreatiemogelijkheden. Helena had verhinderd dat zo’n onruststoker uit de weg werd geruimd. Niemand had ooit zo weinig respect getoond voor mij en alles wat ik heb gedaan.
Daarom moet zij dood.
Ik kan niet slapen de nacht voordat ik haar ga zien. Urenlang beukt mijn hart tegen mijn ribbenkast als ik bedenk wat er allemaal fout kan gaan. Ze kan een wapen grijpen van één van mijn soldaten en mij neerschieten. Eén van haar verradersvriendjes kan een wapen grijpen van één van mijn soldaten en mij neerschieten. Het raam van mijn kamer is vergrendelt, maar de wind laat het glas trillen, dat weet ik wel, maar toch denk ik dat Helena buiten is en elk moment het raam kan inslaan met haar verraderstrucjes.

Niemand heeft me voorbereid op de grote hoeveelheid mensen als ik de zaal binnenstap waar we Helena gevangen gaan nemen. De zaal is een halve arena. Aan de wanden achterin hangen matgele spotjes, het licht feller dan ik wil. Drukte dringt in mijn hoofd, ook al is iedereen stil. Naast me is Fedor één en al kalmte. ‘Ze is hier’, zegt hij. De hoofden en jassen vormen een zee van vlekken. Iemand, een vrouw in uniform, dringt via de achterdeur binnen. Eén van mijn soldaten schiet haar neer. Het droge geklik van wapens is overal. Mijn soldaten formeren en bezetten de zaal. Kruitdamp dringt scherp en diep in mijn neus. De zee van hoofden en jassen verkleurt, wordt een chaos van springende en duikende mensen, van kreten en ademteugen, een verzameling van gestapelde lichamen, die bewegen of niet bewegen.
Dan zie ik Helena. Ze heeft een wapen. Ze schiet een soldaat van mij neer. Bijna stap ik op haar af, trek dat wapen uit haar handen, sla haar tegen de grond. De Speciale Eenheid is me voor. Ze bijt en krabt maar krijgt een hand over haar keel en wordt dan stil. Na een paar minuten vallen de laatste schoten.
De stilte is dik als een mantel, alsof alles wat zojuist gebeurd is, niet echt gebeurd is. ‘Zo’, zeg ik. De grond is onstabiel, of misschien zijn mijn benen dat. ‘Ik ben op zoek naar Helena.’ Mijn stem is niet zo kalm als ik wil. Het is me opgevallen dat een paar dingen niet kloppen zoals Fedor ze me verteld heeft. De vrouw in uniform bij de achterdeur. De chaos. Dat Helena een wapen kon grijpen.
Helena verstijfde toen ik haar naam zei. Goed. Ze zal me niet langer voor gek zetten. De mannen die haar vasthouden, trekken haar op mijn bevel overeind.
‘Ik ben het niet’, zegt ze, haar stem haperend en anders dan ik me had voorgesteld.
Ze geven mij haar identificatiebewijs. Ze is het wel. Maar ik twijfel en wijs op de linkermouw van haar jas. Een soldaat stroopt die op. Geen litteken. Ongenoegen groeit zwaar en zuur achter mijn ribben, tot ik het andere meisje zie.
Haar ogen zijn de ogen van de foto.
‘Zij daar!’ Ik haat het dat mijn hand trilt als ik Helena aanwijs.
Fedor stroopt haar mouw op.
Blijdschap borrelde in me, zo sterk en aanwezig dat ik er niet meer aan twijfel of ik van haar zou winnen. De lucht is ijler, maar ik geef niet toe aan de drang te gaan zitten.
De ademhaling van Helena is oppervlakkig en snel, als één van de konijnen die ik vroeger met mijn vader ving.
‘Je zult gestraft worden voor je daden’, zeg ik.
‘Jij ook, tiran.’
Het is niet ongebruikelijk dat mijn vijanden zich negatief uitlaten over mij. Deze keer betrof het een blonde jongeman.
‘Zijn been’, zeg ik.
Het schot en de kreet die volgt beschouw ik als de kroon op deze dag. Het gestamp van laarzen galmt door de halve arena en verdrijft de onrust die de blonde jongeman had opgewekt. Ik volg de mannen van de Speciale Eenheid die Helena tussen zich in houden. Achter me verstommen de kreten en strubbelingen zodra de deur naar de zaal dichtvalt. In het geblindeerde busje binden mijn mannen Helena vast. We rijden weg zodra Fedor naast me schuift en mededeelt dat de andere verraders naar een cel worden afgevoerd.

De lampen geven roodachtig licht. Rond haar polsen blikkert het metaal van de boeien. We schreeuwen waarom ze huilt. Ze schudt met haar hoofd. Sonja slaat tegen haar wang, haar rug, en dan krassen we een nieuw stukje letter in haar huid. Fedor geeft haar iets te drinken, anders valt ze flauw, dat kunnen we niet gebruiken. De tafel waarop we Helena houden kan op en neer. Ik mag de hendel bedienen. Lorin zakt elk uur door zijn knieën en vraagt, ‘Hou je het nog een beetje vol?’ Ze antwoordt niet. We lachen. Ik stel vragen, elke keer dezelfde vragen waarvan ik weet dat ze de antwoorden weet, laat Sonja haar een paar keer slaan, en dan krassen we weer een nieuw stukje letter in haar huid. ‘Het wordt al een heel kunstwerk’, merkt Lorin op, waarna ik besluit dat Helena vanaf nu alleen nog maar mag staan. Het is jammer dat ze huilt. Het is jammer dat Fedor haar arm grijpt als haar benen opgeven. Hij hoort geen empathie te tonen voor mijn vijand. ‘Je bent een watje’, zegt Sonja.
Na een paar dagen wil ik pauze. We sluiten Helena op in de loods waar we de dakbedekking bewaren. Een hele nacht slaap ik zo goed dat ik vroeger opsta dan nodig. Fedor brengt me mijn pillen. Ze rammelen als hij het doosje op tafel neerzet. De gele en de rode, de drie witte, de groene en de andere gele, de bruine: het bittere is zoeter. Aan de muur hangt de foto van Helena. Ik heb een groot, zwart kruis over haar gezicht getekend. Dat zal haar leren.
De tweede nacht heb ik een nachtmerrie waarin Helena haar wapen op me richt maar wel de trekker overhaalt. Ik verwacht pijn te voelen, maar ik voel niets. Dat is het moment dat ik zeker weet dat ze me niets kan doen. Het ligt waarschijnlijk aan de veranderingen in lichtinval, nu de zomer begint en de zon meer en langer schijnt, dat mijn ogen niet helemaal scherp zien. Een loomheid heeft zich de afgelopen dagen in mijn lichaam genesteld, een loomheid alsof een griepvirus me geveld heeft. Fedor is het opgevallen. Hij verklaart mijn toestand aan de hand van stresshormonen die mijn lichaam aan het afbreken was, waardoor mijn alerte status tijdelijk niet beschikbaar zou zijn.
Het moment dat ik de deur naar de loods open, beloof ik mezelf dat na vandaag Helena dood is. De informatie die ze niet prijsgeeft, mag ze meenemen in haar graf. Ik kan niet langer het risico lopen dat ze mij iets aandoet.
‘Waar ben je?’ roep ik. Mijn stem echoot tussen kisten met gele en zwarte verf en stapels gebroken dakpannen. Ik sla de deur wijd open. Misschien zit ze achter de deur. Ja hoor. Ik trek haar mee naar de schemerige gang. De noodverlichting tekent kringen op de muur. Soms verliezen mijn benen de controle, ik dreig te vallen, maar elke keer trekt het weg, ben ik weer de baas. In de volgende gang prikt Tl-licht fel in mijn ogen. In mijn hoofd begint iets te bonzen, een bloedvat of mijn hersenen of misschien wel mijn oogkassen. De deuren zijn donkergroen met dikke lijsten en zilverkleurige hendels. Binnenkort is het allemaal van mij. Het bonzen wordt erger, splijt als een mes door mijn hersenen. Ik slinger Helena opzij, tegen de muur, en zoek naar een manier om de pijn te verminderen. Helena grijpt het wapen aan mijn broekriem. Ineens is de pijn weg. Ik laat haar de trekker overhalen. De stilte brengt een grijns op mijn gezicht. Ik pak mijn andere wapen en richt op haar. Ik kan haar net zo goed nu neerschieten, niet? Maar ze rent en mijn arm trilt en mijn vinger doet niet wat ik wil. Helena valt. Dit is mijn kans. ‘Al mijn vijanden moeten sterven’, citeer ik. ‘Alle mensen moeten leven volgens mijn wetten. Want mijn wetten zijn goed en rechtmatig…’ Het moment dat ik eindelijk dichtbij genoeg ben, verdwijnt ze.

‘Waar ben je?’ Ik gooi mijn volle gewicht tegen de deur. Ze is verdwenen achter de deur. Allerlei flitsen kruipen over mijn netvlies als ik nog een keer de deur raak. De scharnieren van de deur knarsen als ik voor de derde keer tegen de deur kom. Mijn schouder vindt het niks. Aan de andere kant schraapt iets langs metaal, de deurhendel, het slot? Zweet gutst uit mijn oksels. Mijn benen verliezen controle, ik val bijna, ik zie mijn hand op de muur maar niets anders. ‘Waar ben je?!’ Een dikke laag watten groeit in mijn hersenen. Is die griep niet over? Kan ik verdomme op dit moment niet normaal zijn?! Ik gooi mezelf weer tegen de deur. De scharnieren kermen, en ik ook, en ik raak de deur een vijfde keer. Luid gekraak vult mijn oren, de gang, mogelijk het hele gebouw. ‘Open die vervloekte deur!’ Mijn handen timmeren op de deur, proberen de scheur te vinden, was er niet een scheur was de deur niet stuk? Dan ontstaat er een kier. Mijn benen verliezen controle, ik land op een knie en het doet verdomd zeer. Ik zie mijn laars op de vloer en verder niets. Seconden later willen mijn benen weer en wurm ik mijn schouder in de kier, mijn hoofd, de rest van mij.
Ze kijkt me aan. Ik richt mijn wapen, glijd met mijn andere hand langs de deurpost, mijn vingers raken een bobbel. Al het licht verdwijnt. Mijn oren knappen van een knal. Ik ruik kruit. De grond raakt mijn hoofd, hard, heel lang zie ik niets. Iets nats kruipt tegen mijn borst, maakt me wakker, tot ik terugval in het niets.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction, PP side-stories and tagged , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s