De zeven levens van Harry – pilot

Alles was rood: de aarde, de kronkelige adertjes in matte ogen, het stof op de tenten. De zon smeulde op het land. Hoger op de vulkaan, aan de andere kant van het dal, kropen schaduwen over de grond, steeds langer, alsof er ooit een punt zou komen dat alles alleen maar schaduw was. Vanaf dat punt zou de nacht eindeloos zijn, zou er nooit meer een ochtend aanbreken waarin de realiteit bestond.
De schaduwen waren talrijk en divers in vorm: de schaduwen verraadden de levens die pas onder de grond waren verdwenen, de verse aarde die als een hand met gesloten vingers de gestorvenen beschermden. Een waterput zou niets uithalen, dacht Harry. Prikkeldraad eromheen en niemand eruit laten, dat zou het virus isoleren, zijn gastheren doden. Hij kon niets betekenen. Hij kon geen virus uitroeien.
Toch vroeg hij: ‘In hoeverre heb je al nagedacht over de bouw van de waterput?’ Hannah stond met haar handen in haar zij geplant, een pose die ze van haar moeder geleerd moest hebben om autoriteit uit te stralen richting mannen. Harry greep de gelegenheid aan om haar iets beter te bekijken. Ze had een zwembandje vet op haar heupen en een wiebelend onderkinnetje. Al haar kleren waren iets te ruim, alsof de extra lucht rond haar huid de warmte zou verminderen, haar zwetende oksels kon verhullen. Haar haarkleur hield het midden tussen bruin en blond, een kleur die overigens niet veel uitmaakte door de wolken van rood stof die haar hadden veranderd in een iets minder bleke vreemdeling.
‘Ik wil de wereld verbeteren’, was de eerste zin van haar sollicitatiebrief geweest. ‘Ik ook’, had hij haar toevertrouwd bij hun eerste handen schudden. ‘Het is mij nog niet gelukt’, had hij erachteraan gezegd. ‘Waarom gaat het jou wel lukken?’
Hannah had gehumd. ‘Dat zal ik u uitleggen.’ Bij elke vrijwilligersmarkt in Amsterdam kenden ze haar. Ze was elke minuut van haar vrije tijd bezig om geld in te zamelen voor het goede doel. ‘Ik doe wat ik kan’, eindigde ze. Te lang had zijn ademhaling gehaperd en kon hij haar niet bedanken voor haar verhaal. Over een paar jaar zou Lonneke zijn zoals zij. Als hij had gedaan wat hij kon zou Lonneke over een paar jaar zijn zoals zij. Zijn hand had getrild toen hij haar uitliet en de deur achter zich had gesloten. Vanuit de onderste lade van zijn bureau had hij zijn flacon met likeur gehaald en een grote slok genomen. Zijn gehemelte en keel hadden seconden lang gebrand, maar dat wankele gevoel in zijn binnenste was ten minste verdwenen.
‘We hebben een bron nodig, stroomopwaarts van de rivier’, begon Hannah. Zweetdruppeltjes huisden tussen de haartjes op haar bovenlip. ‘Of we gebruiken het grondwater bij de vulkaan. We hebben buizen nodig, en een pomp. Kraantjes, ik zou zeggen op elke kruising. Mensen hier leven buiten. Gereedschappen, scheppen, tangen. Ik ken een leverancier.’
Het rood veranderde in goud, zo langzaam dat Harry zich afvroeg of hij de kleur eerder verkeerd geïnterpreteerd had. De stem van Hannah dreef langs hem heen, als het roet van de brandstapels verderop.
’s Avonds vroeg hij haar naar zijn tent te komen. Hij schonk koffie voor haar in. Het gesprek vergleed in filosofische opvattingen over de ideale samenleving, over kloven tussen arm en rijk, het nut van vaccinatie. Hannah dronk meer koffie dan hem. Op haar wangen zaten vegen in de stoflaag, van irritaties of muggenbeten of misschien had ze haar weerspiegeling gezien in één van de ruiten van de jeep en geprobeerd zichzelf weer te hervinden.
Na een tijd stond hij op. Ze was oud genoeg om te weten wat er komen ging. Ze liet toe dat hij haar beige shorts over haar knieën trok. Ze liet toe dat hij haar broekje over haar dijen rolde. Ze liet toe dat zijn vingers bij haar binnen drongen.
Het was koud en vochtig buiten toen Harry de ingang van zijn tent openritste en door de hor naar het intense donker staarde. Af en toe weerkaatste een kerm tussen de sterrenpatronen, van iemand die een nachtmerrie had, of opgaf.
Vroeger kon hij zijn tenen zien als hij naar de grond keek; nu zag hij zijn buik, rond en behaard en opvallend bleek naast zijn rusteloze handen. Hoe langer hij keek, hoe meer hij besefte dat het donker een spel van schaduwen was, van wolken die voor de sterren schoven en andere sterren onthulden, van het deinen van bananenboombladeren en manshoge varens, en het cirkelen van de vliegen boven de uitgedoofde vuren.
Hannah kwam naast hem staan, en met haar de geur van muskus. Na een lange stilte vroeg ze: ‘Wat zoek je?’
Hij slikte. Een nieuwe stilte rolde verder, tot het tsjilpen van de eerste vogels opkwam met de zon. Hannah sliep op zijn stretcher, haar ademhaling het ritme dat hem door de uren had geholpen.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction. Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s