Hoofdstuk uit Puzzelstukjes: Amber en Marten in Arkhangel’sk

Ik heb besloten om niet meer stil te staan bij vroeger. Hoe Josh en ik met elkaar omgingen is niet belangrijk. Het is tijd om anders te zijn. Volwassen.
Achter me knappen houtsnippers in een dovende openhaard. Ik zit aan tafel met een kapspiegel voor me en haal een kwastje door beigekleurig poeder. De foundation iets donkerder dan mijn eigen huid bedekt mijn jukbeenderen. Op mijn wimpers doe ik mascara. Dan trek ik met een zwart potlood een lijntje onder mijn ogen breng karmozijnrode oogschaduw aan op mijn oogleden. Een lipgloss die naar framboos smaakt, plakt mijn lippen tegen elkaar. Ik open de klem die mijn haren bijeen houdt en borstel net zo lang tot ik al mijn haar in een elastiek kan binden zonder dat er bobbels zijn. Met speldjes vang ik de kortere plukken. Ik span het fijnmazige netje over mijn hoofd en schik tot al mijn haar gevangen zit. Als laatste pak ik de pruik. Zwart, licht golvend haar valt tot op mijn schouders.
Voor een paar seconden staar ik naar mijn spiegelbeeld. Achttien. Misschien wel twintig. Zelfs Josh zou me niet herkennen.
Ik hijs mezelf in een zwarte maillot, een plooirokje van spijkerstof, een rood, leren jack, en gevoerde bontlaarzen tot aan mijn knieën. Nooit eerder heb ik dit soort kleding gedragen. Ik voel me volwassen, alsof ik de hele wereld aankan.
Bij het aanrecht tel ik geld uit een koekblik voor mijn boodschappen en verberg dit in de binnenzak van mijn winterjas. Nadat ik mijn handen heb opgeborgen in wanten, haak ik mijn arm door het hengsel van mijn rieten tas.
Buiten botst de wind pijnlijk tegen mijn wangen. Grote hopen sneeuw zijn overal tegen de huizen aan gekropen. De schoorstenen roken, ijsbloemen staan op de ruiten, de gordijnen zijn gesloten. Algauw verrijzen de arbeidershuizen aan de rand van Arkhangel’sk. Officieel valt de stad buiten de grenzen van het Rijk van Mirror. Toch heeft men de stad enkele decennia eerder toegevoegd aan de lijst met Droomsteden. Het heeft niet veel geholpen. Alleen rond de haven in het noorden is werk voor lossers en scheepsmannen. In de rest van de stad heerst een ongecontroleerde orde.
Zoals in veel andere steden aan de rand van het Rijk bestaat de bevolking uit mensen die worden gezocht door de Mirror Foundation. Al het voedsel wordt gekocht van boeren in het buitengebied die zijn gecontracteerd door rijke individuen. Angst voor de Mirror Foundation is iets dat in Arkhangel’sk niet bestaat. Naast het feit dat er in de stad, waar zeven maanden per jaar sneeuw ligt, weinig te halen valt, wordt iedereen die ervan verdacht te heulen met Mirror, opgesloten.
Bij elke toegangsweg naar de stad is een poort met bewakers zonder uniform maar wel met wapens die je een paar uur lang ondervragen voordat je de stad in mag. Ik had me voorgesteld als Helena Krishnova. Mijn vader was geëxecuteerd; mijn moeder was ondergedoken; mijn broer had zich aangesloten bij een verzetsgroep, en ik moest zolang als Mirror nog aan de macht was schuilen in een stad als Arkhangel’sk. Ik kreeg een bungalow in een vakantiepark dat ooit was geopend om toeristen te trekken tijdens de sneeuwvrije maanden. De bungalow is twintig vierkante meter maar heeft alles wat ik wil: een keuken, tafel met stoelen, een televisie, een luie stoel, een aparte slaapkamer, een badkamer met warm water, en een inbouwkast. Voor het eerst in lange tijd heb ik een kast voor kleren, dekens, en beddengoed. Mijn kast, met mijn kleren, mijn dekens, en mijn beddengoed.
Overdag lijkt de stad verlaten. De meeste mensen leven ’s nachts, in het centrum. Daar wordt alcohol gedronken, gekaart, gegokt, gelachen, gevochten, zaken gedaan. Bundels geld wisselen van eigenaar alsof het sigaretten zijn. Er is een hiërarchie, waarbij heel simpel de mannen met veel geld bovenaan staan, de mannen met weinig geld daaronder, en de vrouwen onderaan.
Nachten op rij heb ik de cafés bezocht en me laten trakteren op alcoholische dranken die mijn keel branden en mijn maag ondersteboven keren. Ik leer over de achterkamerwereld aan de rand van het Rijk, over de familie van mensen die geëxecuteerd zijn, over wraakgevoelens, over machteloosheid. De ongecontroleerde orde zet zich voort in de uiteengevallen levens van slachtoffers van Mirror, en hun gebrek aan hoop dat het ooit beter zal worden. Mensen leven per dag en vullen de leegte van hun opgebroken levens met vermaak.
Als nieuweling kan ik me aansluiten bij verschillende groepen. Allemaal verlenen ze vermaak tegen betaling. Drankschenkers, gokspelbazen, theateracteurs, vechtbendes, en de bordelen. Tijdens mijn eerste nacht bood een bebaarde man met doorlopende wenkbrauwen me aan om zijn groep hoeren te vergezellen. Ik zou zelfs een training krijgen in het plezieren van mannen én vrouwen. Ik nam eerst een slok van mijn drinken en vocht tegen de hoest die opborrelde in mijn keel. ‘Ik heb ervaring maar geen interesse meer.’ De man had gemeesmuild. Het hele café had gekeken hoe hij afdroop en ik nog een slok nam. Het hield andere mannen niet tegen het ook te proberen. Sommige dringen zich op. Hen laat ik mijn Vieiller zien. Ik hoef ze niet om te leggen. Soms bieden mannen met weinig geld, de mannen met gerafelde kleding en versleten bontlaarzen, me geld voor één nacht. ‘Ik heb geen geld nodig’, zeg ik dan. Ook zij meesmuilen, sommige triest.
Niemand weet wie ik ben. Ik weet van niemand wie hij is. Ik praat nooit twee keer met dezelfde persoon. Dat bevalt me, het is veilig. Toch mis ik het om iemand te hebben met wie ik kan praten over iets anders dan Mirror, de ongecontroleerde orde, en het betaalde vermaak.
Meisjes van mijn leeftijd zijn op de schoolpleinen waar ik buiten de hekken observeer hoe ze zich kleden, waar ze over praten, waarom ze lachen. Op een gegeven moment doe ik mee. ’s Ochtends ga ik naar de les, met een schooltas over mijn schouder en daarin boeken over biologie, literatuur, aardrijkskunde. In de klas zit ik naast Tamara, een hoogblond meisje met belletjes in haar stem dat ervan droomt om dierenarts te worden. Iedereen kent me als Zoey. Ik heb geen ouders meer, rood haar, en vertel enthousiast over mijn plan om later een restaurant te beginnen. Ik word uitgenodigd om samen huiswerk te maken, voor filmavonden, een middag shoppen in de twee winkelstraten waar nog aanvoer is van kleding, accessoires, en cadeauartikelen. Tamara nodigt me uit voor haar verjaardagfeestje. Op het feestje eet ik koek en drink ik prik met wodka. We spelen “Doen, durven, of de waarheid”. Ik doe een gek dansje terwijl iedereen toekijkt. Ik durf een soldaat van de Mirror Foundation te beledigen. De waarheid is dat ik een jongen leuk vind.
Na het feestje loop ik alleen naar huis. Over een paar weken komt de sneeuw terug. Ik vind een jongen leuk, heb ik gezegd. Ik denk aan Josh, aan zijn voortanden waarvan de één een millimeter langer is dan de ander, aan zijn ademhaling en zijn gegrom als ik te hard aan het laken trek, aan de gejaagde blik in zijn ogen vlak nadat ik hem had gered, aan de afstand tussen ons op het bankje in Rovaniemi. In de bungalow trek ik al mijn kleren uit. De lucht is koud maar het kan me niet schelen. Ik poets alle make-up van mijn gezicht en neem een warme douche tot mijn handen en voeten diep gerimpeld zijn.
Het einde van de zomer begint met sneeuw. Vlokjes zo groot als mijn duimnagel dwarrelen dagenlang uit de lucht tot de schone straten weer zijn bedolven onder een dik pak wit. Voor het schoolplein is een bushokje waar de meiden en ik na school hangen.
‘Geschiedenis ga ik zó niet voor leren’, zegt Tamara. We knikken allemaal instemmend en drinken prik met wodka uit een literfles.
‘Biologie is nog wel te doen’, zegt Roos. Haar ouders zijn opgepakt door de Mirror Foundation en vorig jaar geëxecuteerd. Hoewel ik van niemand zeker weet of hun verhaal waar is. Roos heeft ogen
die tijdens biologie opmerken dat de tekening van organen in het menselijk lichaam niet klopt. De nieren waren te hoog getekend ten opzichte van de darmen. Dat zijn niet ogen van een meisje wier ouders zijn opgepakt door de Mirror Foundation.
‘Biologie is nuttig’, vult Tamara aan. ‘Daar leren we over hoe wij en de wereld in elkaar zitten.’
Roos neemt een slok van de prik en geeft de fles door aan mij. De prik is koud, maar de wodka verwarmt mijn slokdarm. Onze voetstappen raken gevuld met nieuwe sneeuw. De straatverlichting springt aan. De lantaarn naast ons legt een gele cirkel over het wit. Lange tijd was ik wakker geworden met een ongemakkelijk gevoel in mijn onderbuik; nu word ik wakker met een drang om op te staan en mee te doen. Dit is het leven dat ik wil.
Roos rommelt in haar rugtas. ‘Wie heeft er zin om naar het centrum te gaan?’ vraagt ze en ritst haar tas dicht. ‘Ik heb sigaretten nodig.’
Soms verdenk ik Roos ervan een puzzelstuk te zijn. Ze heeft ronde wangen en een kleine neus als een kind, maar is plat als een plank. Niemand zou geloven dat ze al op de middelbare school zit. Het is haar zwijgen op de momenten dat ik ook wil zwijgen, maar toch praat, waardoor ik denk dat ze veel ouder is. Oud genoeg om bij de lichtingen voor mij te horen, Porseleinen Pistolen en Verloren Vrijheid.
Op het moment dat ik een tweede slok uit de fles neem stapt een jongen de lichtcirkel van de lantaarn binnen. ‘Hey’, zegt hij. Het timbre in zijn stem is bekend, dat van mijn vader. Het is Marten. Het litteken op zijn wang is verborgen achter een grof geweven sjaal, net zo één als de mijne.
‘Wat doe je hier?’ vraagt Roos.
‘Je nachtmerrie zijn?’ antwoordt Marten. Hij grijnst, maar niet gemeen.
Roos herademt. Een wolk condens stijgt op vanuit haar mond. Dan ziet Marten mij. Het is de eerste keer dat ik hem zie verstijven. We staren iets te lang.
‘Jullie kennen elkaar?’ vraagt Roos.
‘Nee’, zegt Marten, ‘maar we gaan elkaar wel leren kennen.’
Het ongemak sluipt terug in mijn lichaam. Ik geef de fles aan Tamara. Roos laat haar ogen over me heenglijden. Ik weet dat ik ontmaskerd ben. Zij en Marten kennen elkaar. Ze is vast een puzzelstuk. Ze weet dat ik een puzzelstuk ben. Toch blijft ze bij Tamara en de anderen. ‘Tot morgen’, zeg ik, maar ik weet dat ik morgen niet zal terugkomen.
De sneeuw kraakt vers bij elke stap. Marten heeft zijn hand tegen mijn rug gelegd, precies op de plaats waar mijn Vieiller zit. We praten niet tot we bij een café aan de rand van het centrum zijn. Hij leidt me naar binnen tussen volle tafels door, bestelt een glas fris voor me, drinkt zelf een halve liter bier van de tap. We zitten aan de achterste tafel, tegenover een jukebox waarop een blues-nummer van dertig jaar geleden speelt.
‘Ik ben blij je te zien’, zegt hij. Zijn gezicht is licht. Het bleekgroen van zijn ogen is nog bleker dan ik me herinner, bijna grijs.
‘Wat doe je hier?’ vraag ik.
Hij haalt één schouder op. ‘Overleven. Helpen. Andreas en ik doen nog steeds de bonnetjes. Binnenkort gaan we terug het Rijk in. Philippa helpt ook. Als je wilt…’
Ik schud mijn hoofd. ‘Ik doe niet mee.’
Als Marten teleurgesteld is, laat hij niets merken.
‘Is Roos een puzzelstuk?’ vraag ik.
‘Nee.’
‘Maar jullie kennen elkaar.’
‘Ja.’
‘Leg uit.’ Ik drink van mijn fris en probeer Marten recht aan te kijken, maar het verwart me.
Zijn duim tapt tegen zijn glas. ‘Ze is een lokaal contact van de VV. Ze ondersteunt, verzamelt informatie, geeft informatie door. Ze heeft me benaderd voor de VV. Ik heb nee gezegd. Toen heeft ze me verleid.’
‘Oh’, zeg ik en klem dan mijn kiezen op elkaar.
‘Ik was dom. Al die maanden zat ik met Andreas opgescheept en toen kwam zij.’ Hij grinnikt. ‘Ze was goed. Maar het bleef nee. Nu kunnen we niet zo goed met elkaar. Het is pijnlijk.’
‘Ik begrijp het’, zeg ik.
‘Denk er niet eens over na. Je bent hier te jong voor. En opgeleid voor iets beters.’ Hij glimlacht en haalt weer één schouder op. ‘Zullen we gewoon praten?’
Het bekende in zijn stem stelt me gerust. Ik vertel over mijn bungalow. Over Rovaniemi, Londen, Evina, Wenen, het telefoonnummer dat niet werkte, en de tijd in kamer 304. Marten luistert. Zijn ogen moedigen me aan. Soms knikt hij. Soms schudt hij zijn hoofd. Lange tijd heeft hij zijn handen samengevouwen terwijl om en om zijn ene duim op of onder de andere zit. Niemand heeft ooit zo uitgebreid naar me geluisterd. Ik ben ineens zo blij dat Marten er is dat tranen uit mijn ogen rollen. Hij schuift zijn stoel naast de mijne en slaat een arm om me heen, net zolang tot het over is.
‘Ik breng je naar huis’, zegt hij.
De nacht is staalgrijs en mistig. De koude dringt in alle naden van mijn jas. Sneeuw lijkt in mijn laarzen te sijpelen, maar Marten verzekert me dat het een reactie van mijn lichaam is om mijn kern warm te houden. Ik realiseer me dat ik niet denk aan mijn Vieiller, niet aan mijn moves, en me niet eens druk maak over alles wat ik Marten heb verteld. Hij weigert de VV; hij staat aan mijn kant.
Toch lieg ik over waar ik woon. Ik besluit afscheid te nemen bij de steeg naar een appartementencomplex. Via de tuin en een andere steeg is het nog tien minuten verder lopen naar mijn bungalow.
We stoppen onder een lantaarn op de hoek van de steeg met de straat. Om ons heen zijn scherpe schaduwen van coniferenhagen en schuttingen. Verderop klinken stemmen, waarschijnlijk van een film op televisie.
Marten legt de palm van zijn want tegen mijn wang. ‘Ik zou je graag nog een keer zien’, zegt hij.
Iets warms en kriebeligs danst rond in mijn buik. ‘Dan zien we elkaar nog een keer’, zeg ik.
Hij glimlacht. Zijn gezicht is licht en vriendelijk. Het litteken op zijn wang is vlakbij, dan omarmt hij mij. Ik dompel onder in de geur van zijn huid en kleding, zweet, en zeep, en aarde, en bier. Voordat ik een move kan toepassen draait hij me om en houdt me in een klem. Ik word op mijn knieën gedwongen, zijn armen strak en onbeweeglijk.
Zijn stem dweept bij mijn oor. ‘Laat je lichtingsteken zien.’
De sneeuw is ijzig aan mijn benen. Welke move kan ik doen? Hij is sterk. Mijn armen hebben geen ruimte.
‘Laat je lichtingsteken zien’, herhaalt hij. ‘Zoey, of hoe je ook heet, ik moet weten of ik je kan vertrouwen.’
We ademen bijna synchroon als ik mijn wanten uittrek en mijn mouw opstroop. Het bleke “VV” lijkt futiel onder de lagen kleding, in deze context van ongecontroleerde orde en het nieuwe leven dat ik voor mezelf heb ingericht.
‘Mag ik los?’ vraag ik.
Hij laat los. Mijn ribben voelen gekneusd.
‘Sorry’, zegt Marten. Hij helpt me overeind, klopt de sneeuw van mijn maillot, zijn handen voorzichtig, alsof ik breekbaar ben. ‘Nu kan ik je vertrouwen. Voor Vrede, ben je. De laatste lichting.’
Dan laat hij zijn lichtingsteken zien. “VV”. Verloren Vrijheid.
‘Ze hebben ons geleerd dit aan niemand te vertellen’, zeg ik.
‘Iedereen die ons heeft opgeleid is dood. We hebben alleen elkaar nog.’ Hij glimlacht weer. ‘Over drie dagen weer hier?’
Ik knik maar staar naar mijn bontlaarzen.
‘Ga nu gauw. Het is laat.’ Hij duwt me de steeg in en loopt weg na een “tot ziens”. Nooit eerder heb ik iemand seconden lang nagestaard en gehoopt dat Mirror hem nooit zal vinden. Want Mirror zoekt hem ook. Want hij is een puzzelstuk.
Thuis zet ik de tv aan. Er is weinig gebeurd vandaag. Geen executies, geen bombardementen, geen rellen, alleen een paar arrestaties. Ik val in slaap in mijn luie stoel. De volgende ochtend heb ik blauwe plekken op mijn ribben. De plekken zijn donkerblauw en doen pijn als ik erop druk. Maar ik voel geen angst. Ik voel dat Marten mij kan beschermen. Ze hebben ons geleerd alleen te opereren. Samenwerken brengt te veel risico’s met zich mee. Partners kunnen afleiden, saboteren, je verraden. Maar Marten heeft gelijk dat we alleen elkaar nog hebben. Behalve de lichting Voor Vrede is geen enkele lichting meer compleet. We zouden een eliteteam tegen de Mirror Foundation kunnen vormen.
De drie dagen voelen als drie weken. Elk seconde kruipt voorbij, terwijl ik al mijn kleding aan- en uitdoe en me voorstel hoe ik wil overkomen: volwassen, maar niet oud, jong, maar niet naïef, op m’n gemak, maar niet te informeel. Ik doe alleen mascara op en bind mijn haar in een paardenstaart. Ik wil als mezelf overkomen, niet als Helena. De rest van de tijd dood ik met studeren voor examens die ik niet zal maken. Ik puzzel urenlang met een geodriehoek en een passer tot alle hoeken en cirkels kloppen; ik beantwoord alle vragen over het menselijk lichaam en de anatomie van planten en lagere dieren; ik stel reactievergelijkingen op voor zuren en basen en besluit dan dat het over is. Ik ga niet meer terug naar school.
Na drie dagen zijn mijn knieën wiebelig. Marten staat al te wachten aan het andere eind van de steeg. We gaan naar een ander café. Hij koopt weer fris voor mij, en een halve liter bier voor zichzelf. Ik luister naar hem. Hij vertelt over de avonturen van Andreas: Andreas die elk meisje in zijn omgeving probeert te versieren, Andreas die in zijn eentje een hele wapenfabriek heeft opgeblazen, Andreas die op de basisschool een stinkbom in de klas legt en voor een week wordt geschorst, Andreas en Ralph Lohmann die als twee handen op één buik zijn en iedereen een loer draaien.
Ik lach veel. Marten probeert me aan te kijken, maar het is net of hij ook verward raakt. Hij verteld over de keren dat hij de kots van Andreas heeft opgeruimd, of een gebruikt condoom heeft weggegooid, of een boze ex van Andreas heeft afgewimpeld, of alweer pizza at omdat Andreas dat mannenvoer vindt.
‘Word je hem niet zat?’ vraag ik op een gegeven moment.
Marten schudt zijn hoofd. Zijn gezicht heeft weer die lichte en vriendelijke uitdrukking, alsof zijn wenkbrauwen alleen in de positie staan vlak voordat hij gaan lachen. ‘Andreas is m’n beste maat. Ik kan alles van hem vragen. We werken samen, en dat gaat goed. Hij heeft z’n manieren, maar wie heeft die niet?’
‘Wat zijn jouw manieren?’
Hij lacht. ‘Mijn manieren zijn eveneens talrijk. Wil je die echt allemaal weten?’
‘Ja.’
Marten grijnst. ‘Oké. Maar dan heb ik eerst nieuwe brandstof nodig.’ Hij seint de serveerster. De vrouw draagt een zwart uniform dat haar volle boezem bijna geheel ontbloot. Ze bukt omzichtig om zijn bier bij te vullen en peilt of Marten naar haar borsten spiekt. Maar hij kijkt naar mij.
‘Bijvoorbeeld’, begint hij na een grote slok, ‘ik drink mijn bier altijd uit halve liter glazen. Zo kan ik gemakkelijk uitrekenen hoeveel bier ik heb gedronken. En hoe dronken ik ben. En hoe erg mijn kater de volgende ochtend is. Ik drink geen koffie, en ook geen thee. Als ik zie hoeveel koffie Andreas naar binnen werkt en hoe hyper hij daarvan wordt; dat wil ik mezelf niet aandoen. En thee smaakt naar pis. Ik probeer elke dag tweehonderd gram groente te eten. Met een vleesmonster als Andreas kan ik het wel uit m’n hoofd laten om groente op tafel te zetten. Dus ik bedien mezelf regelmatig van een zak sla of een pot bietjes voor tussendoor. Ik vijl mijn nagels. Als ik ze knip ben ik bang mijn nagels te scheuren. Dat heb ik één keer gehad en dat deed verdomd zeer.’
Hij neemt opnieuw een grote slok bier.
‘Ik houd niet van douchen. Om precies te zijn houd ik niet van het moment dat het water mijn huid nat maakt. Maar Andreas eist dat ik minstens één keer per week douche omdat hij niet naast een vuilnisbak wil zitten. Niet dat we zo dicht naast elkaar zitten, maar je snapt dat we vaak urenlang in één ruimte doorbrengen en dan wil je wel een beetje fris ruiken. Meestal rek ik het tot anderhalve week, tot het moment dat Andreas me onder de douche jaagt. Met kleren en al. Dat helpt wel iets tegen dat nare moment dat het water mijn huid raakt. Brr.’
Ik grinnik. ‘Houd je wel van in bad gaan?’
‘Absoluut. Maar een bad is luxe. Als de oorlog over is dan koop ik een huis met op elke verdieping een bad én een jacuzzi. Tegen die tijd heb ik vast een meisje zover gekregen met mij te trouwen. Ik doe er heel lang over om een meisje te versieren. Ik ben eigenlijk heel verlegen. Ik denk heel snel dat ze me niet wil. Dat ik saai ben, of lelijk, of gewoon niet haar type. Ik doe wel heel hard m’n best, maar alleen als ik voel dat ze het waard is. Dan duurt het gewoonlijk zo lang voordat ik bepaalde stappen zet dat ze al op me uitgekeken is, of denkt dat ik niet geïnteresseerd ben, of een ander heb. Zoiets. Meestal verovert Andreas ze dan.’
‘Tenzij je iemand als Roos tegenkomt.’
‘Ja.’ Hij kijkt me recht aan, alsof dat hem ineens niet meer verwart. ‘Dat is geen leuke opmerking.’
‘Sorry. Ik–’ Mijn hoofd blokkeert. Wat heb ik nou gezegd?!
‘Ik wil je alleen maar waarschuwen’, zegt hij. ‘Ik heb veel geduld nodig.’
Heel even zie ik hem. Hij is niet boos. Hij is niet eens verontwaardigd. Hij is bang. Maar ik weet niet waarom. Het is alsof ik een moment lang kan voelen wat er in hem omgaat maar niet zijn gedachten weet. Zijn ene duim is weer afwisselend boven of onder zijn andere duim. Dan legt hij zijn armen op tafel en zegt: ‘Er zijn mensen die veel in jou geïnvesteerd hebben. Het zal niet lang duren voordat de VV je opzoekt en je dwingt je bij hen aan te sluiten met het argument dat je op dit moment niets doet om te helpen. Kom helpen met de bonnetjes.’
Mijn schouders optrekken helpt niet om mezelf te verbergen. Toch doe ik het. Ik voel me rot. Marten heeft gelijk. Wat dacht ik wel niet om mijn eed te verloochenen? Maar naar school gaan is fijn. Met Marten praten is fijn. Ik wil terug naar een paar minuten eerder en mijn opmerking inslikken.
‘Ik wil naar huis’, zeg ik en staar naar de volle boezem van de serveerster.
Op de hoek van de steeg met de straat legt Marten zijn armen om me heen. Al zijn geuren omringen me als een cocon van veiligheid. Ik wil niet dat hij loslaat, ook al raast mijn hart als een dolle. De wind trekt aan mijn broek en de huid daaronder, tot Marten loslaat. ‘Welterusten.’ Hij is algauw een stipje aan het einde van de straat. Is het weer goed?
Een dag later zien we elkaar in een ongebruikte loods bij de haven. Tussen verroeste containers en hopen glas is een woonkamer ingericht van een tuinmeubelset en een lantaarn die op kaarslicht brandt. Een wrange urinegeur doet me bijna kokhalzen.
‘Ons zwijgzame vogeltje!’, zegt Andreas zodra ik binnenkom. Hij kust me op mijn voorhoofd terwijl zijn handen razendsnel over mijn armen naar beneden glijden.
‘Ze is te jong’, zegt Marten.
‘Dat houdt mij jong’, zegt Andreas. ‘O, wat heb ik jou gemist, lieve, lieve Zoey.’
Ik kan het niet helpen dat ik moet blozen.
Marten glimlacht één keer. Ik weet niet of dat een goed teken is.
Philippa zegt alleen: ‘Ik ben blij je te zien’, en luistert als Andreas uitlegt wat we gaan doen. We zitten aan de tuintafel waar vuilstrepen en vingerafdrukken verhullen welke tint wit de tafel ooit gehad moet hebben. Het schrapen van de stoelpoot over de vloer echoot zo luid dat ik bij elke beweging denk dat er soldaten binnenvallen.
’s Avonds rijdt Andreas ons in een personenauto de grens van het Rijk over. Twee stelletjes die terugkeren van vakantie, vertellen we de bewakers. De zittingen van de auto zijn gevuld met bonnetjes. We laten onze identiteitsbewijzen zien. Ik leg mijn hoofd op Marten`s schouder. Als ik mijn ogen dichtdoe ga ik op reis met vrienden. De zon schijnt terwijl we van stad tot stad reizen en op elk marktplein een ijsje proeven, en ’s nachts kamperen onder de sterren. Veel te snel stuiteren we door de kuilen van een slecht onderhouden weg, terwijl om ons heen niets dan zwartheid zich uitstrekt, alleen doorbroken door de koplampen van de auto. We zwijgen tot Andreas ons een andere loods binnenrijdt en Marten en ik de bonnetjes voor die avond in tassen stoppen, maar ook overal in onze kleding.
De naam van de stad weet ik niet. Het is geen grote stad, slechts honderdvijftigduizend inwoners verspreid over een klein stadshart met daaromheen eindeloze moderne woonwijken in het kader van de Droomsteden. De papieren randjes kriebelen in mijn ene mouw. Marten trekt me bijna voort door de sneeuw; we zijn laat, straks hebben we niet genoeg tijd om alles op te zetten. Ook hier hoopt de sneeuw zich op tegen de huizen. Een dikke stankwalm van diesel kleeft aan ons, van de jeeps vol soldaten die overdag hebben rondgereden. Een paar auto’s en vrachtwagens ploeteren door een verse laag sneeuw tegen de heuvel op; wij dalen af richting het stadscentrum, langs een brinkje met een schrijn in het midden en door een straat met appartementen waar een man met een buik als een ton bij het openstaande raam staat te roken.
Marten en ik delen bonnetjes uit onder de luifel van een kruidenierswinkel op het marktplein. Het is zo donker dat ik alleen schaduwen kan zien, en het wit van de bonnetjes in de kist. Ik tel bonnetjes, zo snel als mijn koude vingers toelaten. Spanning nestelt zich in elke vezel van mijn lichaam. Wat als iemand ons verklikt? De mensen zijn slechts schaduwen, maar ze zijn mager, hongerig, vuil en vermoeid. Ik hoor het in het gesleep van hun voeten door de sneeuw. Zodra alle mensen langs zijn geweest, stuurt Marten me naar de ontmoetingsplek. Hij ruimt op. Andreas en Philippa zitten op het bankje dat ik passeer. Het bankje is in de enige autostraat naar het marktplein. De twee zitten hand in hand, maar hun aandacht is niet voor elkaar. Ze scannen alles, mij, mijn hand die het teken geeft dat alles goed is gegaan. De ontmoetingsplek is een brinkje achter de hoofdstraat. De etalages zijn donkere stillevens van kleding, huishoudelijke apparaten, en schreeuwerige aanbiedingen voor fastfood. Ver weg klinkt muziek, door de kieren van oude zolders, en gelach van een feestje. Boven me zijn de sterren. Ik wacht in het portiek van één van de huizen aan het brinkje. Binnen hoor ik een klok elf uur slaan. De gongslagen brengen me terug naar vroeger, bij opa en oma thuis, en de stukken overgebleven taart die oma me aanbood alsof mama me niet genoeg te eten gaf. De klok was groter dan oma en stond in de verste hoek van de woonkamer. De slinger fascineerde me, de tandwielen die in elkaar haakten, de minuutwijzer die langzaam opschoof, de gewichten die de slinger in beweging hielden.
Strepen licht vallen tussen de kieren van gordijnen door op straat. Sommige stukken straat zijn sneeuwvrij gemaakt. Marten komt. Hij staat stil bij de lantaarnpaal waar het sneeuwvrij is. Hij haalt zijn wanten uit zijn zakken, maar laat er één vallen. Ik stap uit het portiek.
Zijn gezicht is licht en vriendelijk als hij mij ziet. Het straalt rust uit. ‘Ze komen zo’, zegt hij.
We staan voor elkaar. Ik kan precies het litteken op zijn kaak zien.
‘Hoe kom je aan dat litteken?’
‘Dat is een lang verhaal.’
‘Ik heb tijd.’
Onze stemmen echoën onwerkelijk luid op het brinkje. Marten kijkt langs me heen, alsof zijn woorden daar liggen.
De kou kruipt door onze kleren heen. We lopen het brinkje rond om warm te blijven. Ik vertel hem dat ik graag naar school wil, zoals andere meisjes van mijn leeftijd. Ik vertel hem dat ik verschillende schuilnamen heb, dat Zoey niet mijn echte naam is. Ik vertel hem dat ik soms in de opslagruimte van winkels slaap.
Marten draagt een muts van hetzelfde grof geweven materiaal als zijn sjaal. Een pluk van zijn stugge haar sprint eronderuit. Ik strijk over die pluk haar en volg dan met mijn vinger het lachlijntje op zijn wang tot aan het litteken.
Hij trekt zijn wanten uit en laat er weer één op de grond vallen. Zijn handen zijn koel tegen mijn hals als hij zich naar me toe buigt en me kust. Alles in me wordt strak en warm. Stoppeltjes van zijn kin prikken tegen mijn kin. Mijn ogen zijn dicht. Als ik mijn ogen opendoe, laat hij los.
Ik ril. Misschien is het de sneeuw die toch door de naden van mijn schoenen naar binnen sijpelt. Of de wind die stukjes van mijn wangen bijt.
Dan klinken de stemmen, schelle, schorre stemmen vanaf het marktplein. Er is gehuil. En dan schoten, bevelen, meer schoten.
Marten trekt me in het portiek. Zijn lichaam is dicht tegen me aan, maar het stelt me niet meer gerust. Alles in mij wil vluchten. Hij houdt me vast.
‘Rustig’, zegt hij. Zijn gezicht staat smekend. Ik voel zijn onrust.
‘Jij ook’, zeg ik. Hij klemt zijn lippen op elkaar.
We lopen een steeg in en kruipen door een coniferenhaag heen, de tuin van mensen in, mensen die we niet kennen en van wie we hopen dat ze slapen tot we weer weg zijn. Achterin de tuin is een schuurtje. We zitten uit de wind. Slikken gaat moeilijk. De kou slaat op mijn stembanden, dringt tot diep in mijn longen. Marten trekt me op zijn schoot. Zo worden mijn billen niet langer nat. Hij ritst zijn jas open en ik de mijne zodat we elkaar warm houden. Ik bijt hard op mijn lip om niet te huilen. Ik wil niet huilen. Toch huil ik zachtjes met mijn ogen dicht totdat ik zo moe raak dat ik de tijd vergeet. Ver weg zijn bevelen, het grommen van motoren, maar geen schoten meer. De stilte is zo diep dat ik me afvraag of ik nog wel hoor.
Als het lange tijd helemaal stil is lopen we terug naar het markplein, niet verder dan de hoek met de hoofdstraat. In het licht van de lantaarns is de chaos van voetstappen niet meer dan een wirwar van scherpe randen in een zee van wit. Er liggen mensen, in lompen, sommige met niet meer dan lappen rond hun voeten gewikkeld en een doek om hun lijf. Daarnaast liggen jassen, met daarin mensen wiens hoofden diep in de sneeuw zijn geduwd. Voor de bakkerswinkel liggen Andreas en Philippa. Het ene oog van Andreas is een donker gat.
Ik trek Marten mee, terug de heuvel op, tot in een willekeurige steeg naast een gigantische spar waarvan de takken doorbuigen onder het gewicht van de verse sneeuw.
‘We moeten terug naar de loods.’ Zijn kaak is gespannen. Het bleke uit zijn ogen is verdwenen.
‘Te gevaarlijk’, zeg ik. In mij groeit iets, een angst om bij Marten te blijven, een angst dat we elkaar in de weg zullen lopen. ‘We moeten uit elkaar. Dan is er minder kans dat ze ons beide vinden.’
‘Laat me je tenminste terugbrengen naar Arkhangel’sk.’
‘Tot ziens’, zeg ik, en draai me om, begin te lopen. Elk moment verwacht ik zijn hand die me tegenhoudt. Maar hij laat me gaan.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction and tagged , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s