Hoofdstuk uit Puzzelstukjes: Amber terug in Arkhangel’sk

Ik loop naar Arkhangel’sk. De wind heeft me uitgehold als een man in een auto stopt en hij gebaart dat ik kan instappen. Zijn haakneus bevalt me niet. Zijn hand op mijn dijbeen is gloeiend heet door mijn broek heen. Achterin de auto liggen twee bierkratten met lege flessen. Bij elke hobbel in de weg rinkelen de flessen. Ik staar door het passagiersraam naar buiten, waar sneeuw gestaag valt en er verder dan de berm niet meer te zien valt dan een witte vlakte die langzaam grijs kleurt en dan verdwijnt tegen de inktzwarte hemel. Het bonkt en stormt achter mijn ribben. “Ons zwijgzame vogeltje!” De ogen van Andreas twinkelen over mijn netvlies. Philippa is op de achtergrond, bleek en stil en zonder pinken.
De man heet Pjotr. Hij draait de volumeknop van zijn radio helemaal open zodat de muziek zo hard door de auto dreunt dat ik mijn oren wil afschermen. Maar ik blijf zitten, mijn armen gevouwen zodat mijn door en door koude handen weer opwarmen. Dat gebeurt langzaam. Mijn handen beginnen te tintelen, steeds erger.
Pjotr kijkt me aan. ‘Mooie dag, niet?’ zegt hij. In zijn adem zit behoorlijk wat alcohol, en iets rottigs. Wanneer heeft hij voor het laatst zijn tanden gepoetst?
Misschien had ik met Marten naar de loods moeten gaan en misschien hadden we samen moeten terugrijden naar Arkhangel’sk. Redt Marten zich? Ik bijt hard op mijn onderlip. Ik wil niet huilen.
Misschien had ik niet moeten samenwerken. Ze hebben ons geleerd dat partners kunnen afleiden, saboteren, je verraden. Maar dat is niet het gevaarlijkste. Je raakt gesteld op de mensen met wie je samenwerkt. Je gaat om ze geven. Ze worden misschien zelfs je vrienden. En als je vrienden doodgaan, moet je huilen.
Aan de horizon verschijnen de straatlantaarns van Arkhangel’sk. Bij de poort laten we onze identiteitsbewijzen zien. ‘Welkom terug’, zegt de bewaker zodra hij heeft gecontroleerd of Pjotr en ik al in de stad wonen.
Heel even is de hand van Pjotr niet langer op mijn dijbeen. Ik draag gewone kleren, heb geen make-up op, lijk misschien jonger dan ik ben. Toch geeft Pjotr me een kneepje dat een ongemakkelijke golf warmte door mijn lichaam zendt.
‘Wat een geluk dat ik langsreed, niet?’ Zijn stem is harder dan eerst. Hij heeft de muziek uit gezet. Alleen het ronken van de motor klinkt, en het slippen van de banden door de sneeuw. Het wordt bijna ochtend. Mijn hoofd is zo vol met gedachten en watten tegelijk dat er geen ruimte is voor slaap. Pjotr rijdt een wijk in met alleenstaande huizen. Hier wonen de rijke individuen. Hun tuinen vol coniferen, steenpatronen, en sculpturen zijn nu niets meer dan vlakken vol schaduwen. Verderop flakkert een kaars in een lampion.
Pjotr rijdt één van de opritten in. De gordijnen van het huis zijn open en binnen glimt een spiegel. ‘Hoe wil je betalen?’
Ik rits mijn jas open om geld uit mijn binnenzak te halen. ‘Hoeveel?’ zeg ik.
Pjotr buigt zich zo dicht naar me toe dat zijn verrotte adem zelfs door zijn gesloten lippen heen wasemt. Hij heeft een stoppelwaas van een paar dagen over zijn kin en wangen en bovenlip, en een mee-eter op zijn neus.
‘Vijf minuten lijkt me genoeg’, zegt hij, terwijl zijn hand hoger kruipt over mijn dijbeen tot onder mijn jas.
Ik grijp de deurhendel en rol uit de auto. Mijn schouder vangt me op. Er kraakt niets terwijl ik doorrol in de sneeuw, opsta, en begin te rennen.
Pas na een paar straten durf ik te lopen. Mijn hart raast achterin mijn keel. Ik proef bloed. Mijn lip zwelt en prikt. Ik vervloek de sneeuw die mijn voetstappen onthoudt. In sommige huizen zijn de lichten aan. Mensen beginnen op te staan. Anderen komen net thuis. Anderen die ik passeer, met hun benen onstabiel, zwalkend van de ene naar de andere kant van de straat maar te dronken om mij aan te spreken.
Het duurt lang voordat ik een herkenningspunt vind, een café waar ik de eerste weken had gepraat met verschillende mannen die me aanboden hun bordeel te sieren. Mijn voeten en kuiten zijn geïrriteerd van vermoeidheid en naarmate het lopen me fysiek uitput, komen mijn gedachten ook tot rust. Ik concentreer me op mijn ademhaling die in witte wolken voor me uit stuift, en mijn voeten die ik de één recht voor de ander moet neerzetten, en mijn hoofd dat ik rechtop moet houden anders stort ik in de sneeuw.
Pas als ik met trillende vingers de sleutel van mijn deur omdraai, laat ik alles los. Ik huil op mijn deurmat, omklem mezelf omdat in van binnen uit elkaar val, wiegend op het ritme van mijn eigen snikken. Ik weet niet eens waarom. Ik weet alleen dat ik alleen ben.

Ik studeer weer voor de examens die ik nooit zal maken. Het leidt mijn gedachten af van Marten, Andreas, Philippa, de bonnetjes, de doden, de angst dat ze mij vinden, gemarteld worden door de Mirror Foundation, op tv geëxecuteerd worden, Pjotr, mijn voetstappen in de sneeuw. Ik studeer net zo lang tot ik alle opgaven foutloos maak, totdat ik geometrische figuren kan tekenen met tweeëntwintig hoeken en bewijzen dat die ene zijde net zo lang is als die andere zijde, totdat ik de modellen van vraag en aanbod zo kan manipuleren dat ik mijn eigen ideale economie creëer met eerlijke prijzen en een productiegericht aanbod, totdat ik tot op het aminozuur nauwkeurig kan benoemen welke eiwitten wat doen in mijn lichaam.
Elke keer als ik boodschappen doe neem ik een andere route naar de supermarkt. Ook wissel ik van supermarkt. Er zijn vijf supermarkten op loopafstand. Ik doe om de vier dagen boodschappen, waardoor ik in perioden van bijna drie weken alle supermarkten één keer bezoek.
Vandaag is het zonnig. Waar de zon reikt smelt de sneeuw tot een soppige laag modder. Ik neem een route naar de verste supermarkt dwars door een wijk bestaande uit rijen huizen met één verdieping en schuine daken. Sommige daken zijn uitgebreid met een dakkapel; sommige daken missen meerdere dakpannen; de overige daken liggen open, de balken rot en vochtig, de vlieringen waarschijnlijk bedolven onder sneeuw en vogelpoep. De straten zijn smal. Via de zolderramen zouden kinderen gemakkelijk een bal kunnen overgooien. Tussen de huizen bevinden zich af en toe steegjes die volledig overgroeid zijn door klimop, of vol met kisten, plastic zakken, en ander afval. Ik volg zo veel mogelijk de voetstappen van iemand anders, een man met schoenmaat tweeënveertig en flink langere benen dan ik.
Lantaarnpalen met gebogen koppen lijken net bevroren sneeuwklokjes, die hun kopjes naar de grond hebben gericht maar toch trots het gewicht van de sneeuw op hun tere bloesem dragen. Een paar zwaluwen maken vliegensvlugge duikelingen door de straat. Als projectielen stijgen en dalen ze, hun gespleten staart veerkrachtig omhoog en omlaag met elke bocht en salto.
Tweemaal passeer ik iemand uit de andere richting. Eerst een oudere vrouw met vingers krom van artritis, die schommelend door de sneeuw schuift door een mand met blikken fruit en groente aan haar ene arm. Vervolgens komt een jongere vrouw me tegemoet. Haar zwangere buik priemt duidelijk door haar openstaande jas heen. Een blauwe plek ontsiert haar linkeroog.
De wijk met lage huizen houdt op. Uit een paar vuilnisbakken komt de stank van dode kat. De supermarkt is een stuk verder naar het zuidwesten, aan de andere kant van het pleintje met in het midden een half ingestorte waterput. Rondom het pleintje zijn een paar cafés, een drogist, een tabakszaak, en een wasserette. Een groep mannen in kleding vol vlekken zit voor één van de cafés. In hun handen klemmen ze bekers die ze vullen uit een tweeliterfles wodka. Hun gezichten zijn verscholen onder mutsen, sjaals, en baarden, en hun brommerige stemmen echoën op het pleintje. Ze zien mij. Ze wijzen. Ik weersta de drang om te controleren of mijn rokje niet omhoog is gekropen, of mijn pruik niet scheef zit, of mijn mouw en want wel aangesloten zijn zodat niemand mijn lichtingsteken kan zien.
Ik sla een steeg in die bezaaid is met sigarettenpeuken en gescheurde, doorweekte vellen toiletpapier. Achter het pleintje is een straat met hoge gevels, die vol hangen met knipperende neonletters. Een bas trilt tot in mijn ribben als ik het eerste gebouw passeer. De sneeuw is bij de meeste portieken opzij geschoven tot onder de ramen. Toch is de straat uitgestorven. De zon schittert in de ramen rechts van me. Een onbehaaglijk gevoel kruipt omhoog vanaf mijn voeten. Dit is niet de juiste buurt voor mij.
‘Hey, ben je nieuw hier?’

In een portiek verderop staat een vrouw ruim drie keer zo oud als ik. Haar gezicht is één en al blauwzwarte oogschaduw en kersenrode lippen omzoomd door futloos krullend haar. Om haar benen zit een glanzende panty met een ruitjespatroon en aan haar voeten draagt ze ballerina’s afgezet met glimmende palletjes. Ze draagt hetzelfde spijkerrokje als ik en daarboven een paarse top en een zwart bloesje met lange mouwen, waar de huid boven haar borsten vlekkerig boven uitsteekt.

‘Nee’, zeg ik. ‘Jij?’

De vrouw gnuift. ‘Niet echt. Maar jij lijkt me onervaren. Ik kan je wel wat tips geven, als je wilt.’ Ze werpt een veelbetekenende blik op mijn winterjas, die dichtgeritst zelfs mijn rokje bedekt. ‘Val meer op. Daar houden ze van.’ Haar stem kakelt.

In haar ene hand houdt de vrouw een fles likeur. De dop zit nog op de hals, maar ze begint het plastic van de sluiting los te peuteren. ‘Wil je ook wat?’

‘Nee, dank je.’

‘Oké, liefje.’ Ze tuit haar lippen. ‘Ik heb jou wel eens gezien. Je woont in het noorden, niet? Kun je wel rondkomen? Want het is daar minder druk.’ Er klinkt oprechte bezorgdheid door in haar stem. ‘Ik ken meiden hier die soms te veel klanten hebben. Dat is goed voor inkomsten, maar we willen ook tijd om ons geld te besteden, niet?’ De fles likeur verhuist naar de andere hand van de vrouw. ‘Je bent niet lelijk. Je zou goede zaken kunnen doen.’

‘Ik kan prima rondkomen’, zeg ik. ‘Toch bedankt voor de tip.’

De vrouw grinnikt. ‘Niemand kan hier prima rondkomen, schat.’ Het ligt op het puntje van mijn tong om uit te leggen hoe ik aan mijn geld kom. Hoe de mannen die mijn drankjes betalen geld uit de muur halen en hun pincode niet goed verbergen. Hoe ik hun bankpassen ontvreemd, soms door ze te beroven, soms doordat ze hun portemonnee op tafel laten liggen nadat ze zich geëxcuseerd hebben om naar het toilet te gaan.

‘Ik moet gaan’, zeg ik.

De vrouw rommelt in de zak van haar spijkerrok en vist een half gerolde sigaret tevoorschijn. Uit de andere zak komt een aansteker. ‘Ook?’

‘Nee. Tot ziens.’

Als antwoord blaast de vrouw een rookwolk omhoog. Haar lichaam ontlaadt van een spanning die me eerder niet is opgevallen. Dan verdwijnt ze naar binnen en laat de deur met een klap achter zich dichtvallen. Boven de deur hangt een uithangbord waarop in knipperende rode letters staat: “Fiona’s Fabelachtige Feesthuis”. Naast het raam hangt een prikbord met posters van half-ontklede vrouwen, glazen vol met kleurige vloeistoffen, en dikke stapels bankbiljetten.
In de supermarkt zit een oudere heer op het bankje bij de ingang. Hij fronst als ik binnenloop. Verder merkt niemand me op. Voor de eerste kassa staat een paneel met een levensgrote poster van Mirror in een kobaltblauw uniform en asblond haar dat opzij wordt geblazen door een fictieve windvlaag. De rand van de zon hangt als een aureool boven zijn hoofd. Iemand heeft met een dikke zwarte stift een gekruld snorretje op Mirror`s bovenlip getekend, al zijn nagels zwart gekleurd, en een cartoonesk maar vooral minuscule penis ter hoogte van zijn broekrits ingevuld.
De schappen van de supermarkt zijn half leeg. Een magere man met piekerig grijs haar alleen aan de zijkant van zijn hoofd sjouwt dozen vol nieuwe producten naar de schappen. Hij is niet de eigenaar, weet ik. Maar hij en zijn zoon en kleindochter werken in de winkel. Zijn zoon staat bij de servicebalie. Zijn kleindochter maakt de schappen en vloeren schoon. Toch hangt door de hele winkel een dampige geur van rottend eten.
Het kale, gele licht schijnt zo fel dat ik snel mijn boodschappen verzamel: wortelen met slap loof, belachelijk dure appels, een pak melk, poeder voor chocolademelk, een rol koekjes, en een pak tissues.
Voor beide kassa’s staat een lange rij. Ik zet mijn boodschappen op de grond en wacht. De vloer bij de ingang is besmeurd met modder- en sneeuwvegen. Vroeger moeten de tegeltjes helemaal wit zijn geweest. Van de ingang tot aan de kassa’s liggen veertig tegeltjes. Ik tel, zesentwintig, zevenentwintig, achtentwintig.
Een zwarte soldatenlaars bedekt in zijn geheel tegel negenentwintig, dertig, en eenendertig.
Links van de ingang, voor het bankje met de oudere heer, drukken twee soldaten een jonge vrouw tegen de grond. Ze draagt een beige jas en een witte sjaal, waar haar tanden zich venijnig in vastbijten. Ze schreeuwt niet. Ze worstelt ook niet.
‘Geen paniek!’ dreunt de man op tegel negenentwintig, dertig, en eenendertig. Hij is een sergeant van de Mirror Foundation, zie ik aan het embleem op zijn uniform. ‘We hebben een verrader gevangen. Een puzzelstuk!’
De schrik die met ijzige vingers de weke delen in mijn lichaam fijnknijpt komt zo abrupt dat ik niet kan verhinderen dat ik achteruit deins. Ik heb de soldaten niet horen binnenkomen. Ik heb hun jeeps niet horen komen aanrijden.
De twee soldaten rukken de jonge vrouw overeind. Ann Veroia van Verloren Vrijheid. Ze is op het nieuws geweest. Mirror zocht haar.
Ze ziet mij. Haar grijze ogen zijn donker van woede, onmacht, angst? Ik wil haar helpen. Maar ik kan mezelf niet verraden.
Ann wordt naar buiten gesleept.
Ik ben aan de beurt. Mijn handen trillen als ik mijn boodschappen op de band zet. De caissière slaakt een ongeduldige zucht als ik niet snel genoeg geld uit mijn portemonnee kan halen. Zweet prikt in mijn nek als ik mijn boodschappen in mijn rieten tas laad. De tas sleurt aan mijn hand als ik door de deuropening stap, waar de kou me tegemoet slaat.
Ann zit in een busje. Dergelijke busjes heb ik vaker gezien op televisie wanneer iemand wordt geëxecuteerd. Er zijn meer soldaten. Ze staren me aan en lachen me uit. Eén stapt op me af en knijpt in mijn wang. Ik weet gewoon dat hij me nog nachtenlang in mijn dromen zal achtervolgen. De soldaten fluiten. Het scheurt als een siddering door me heen. Weg, wil ik. Weg van de Mirror Foundation!
Ik neem precies dezelfde route terug. Sneeuw verzamelt op mijn laarzen, maar ik stop niet om het eraf te vegen. Ademhalen. Ik moet rustig blijven ademhalen. Op sommige plekken in het midden van de straat is de sneeuw zo ver gesmolten dat de straatstenen erdoorheen schemeren. Mijn tenen voelen koud en nat, hoewel ik zeker weet dat mijn laarzen waterdicht zijn.
De angst is zwaar en bijtend en groeit alleen maar zolang ik nog niet thuis ben. De boodschappen trekken aan mijn schouder. Ik wissel van arm. Verderop begint het bungalowpark. De wind heeft vrij spel en jaagt alle warmte uit mijn gezicht. Een paar sets voetstappen kruisen mijn pad, waarvan één set van een kind is.
Plots schalt een onbekende stem: ‘Amber!’
Achter me zijn krakende voetstappen. Adrenaline schiet als hete vuurtongen door mijn lichaam. Ik ruk mijn wanten uit en grijp mijn wapen. Dan voel ik een doffe klap tegen mijn achterhoofd en kouds en nats in mijn nek. Een sneeuwbal!
‘Amber!’
Ik laat mijn wapen zakken. Het is een jongen in een donkergrijze tweed jas, met rond zijn hoofd eveneens donkergrijze bivakmuts en om zijn hals een roze sjaal. Ik herken alleen de blauwe ogen gevuld met pretlichtjes. Josh.
‘Hey, hoorde je me niet roepen?’
‘Jawel’, zeg ik en berg mijn wapen op. Het is een rare gewaarwording dat ik me niet eens boos voel. Dat iets blijs zich omwentelt achter mijn borstbeen. ‘Maar ik heet hier Helena. En je stem is anders.’
‘Ja, sorry. Ik heb de baard in de keel.’ Hij grijnst.
‘Waarom ben je hier?’ vraag ik. ‘De Mirror Foundation loopt hier rond. Ze hebben Ann Veroia opgepakt–’ Mijn stem breekt.
‘Ze werd gezocht. We hebben haar gevraagd voor de VV maar ze wilde niet.’
‘We?’
‘Ja. Ik ben erbij. Ze vragen me voor opdrachten. Ik mag nee zeggen. Ondertussen kan ik andere dingen doen, zoals Lilly opzoeken. Waarom kom je er niet ook bij? Het is veiliger.’
De boosheid komt weer terug.
‘Je leek enthousiast over de VV. En ineens was je weg. Had je nog een opdracht staan? Dat had je kunnen zeggen. Normaal ben je niet zo – vreemd.’
‘Het is ingewikkeld’, zeg ik en staar naar de sneeuw. Gelukkig is de sneeuw overal zodat ik genoeg heb om naar te staren.
‘Ingewikkeld? Dat is wat mensen zeggen als ze niet durven zeggen wat er echt aan de hand is.’
Ik staar nog langer naar de sneeuw.
‘Ligt het aan mij?’
‘Nee. Er is veel gebeurd. Er is veel veranderd.’
‘Amber, wat is er?!’ Zijn wenkbrauwen schieten omhoog, hoewel de bivakmuts dat grotendeels verbergt.
‘Hoe wist je dat ik hier was?’
‘Van Marten. Hij heeft alles verteld. Ik wilde weten of alles goed met je was.’ Zijn stem wordt zachter. ‘Waarom was je ineens weg?’
‘Ik had meer tijd nodig om na te denken.’
‘Waarover?’
Aan zijn voeten draagt Josh grote, zwarte soldatenkisten. Zoals de sergeant in de supermarkt.
‘Hou erover op’, zeg ik botter dan ik ooit geweest ben en begin richting mijn bungalow te lopen.
Josh volgt me. Zodra ik de deur van mijn bungalow open, is hij naast me en voorkomt met zijn arm dat ik naar binnen kan.
Ondertussen rollen tranen over mijn wangen. Hij ziet het niet totdat hij me klem zet tegen de deurpost en me dwingt hem aan te kijken. Dan liggen zijn armen rond mij en sust hij me zoals Marten een paar weken terug deed.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction and tagged , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s