Schelpen

Schelpen

Ze rangschikte de schelpen. Over de horizontale as verliep de tijd, van haar geboorte tot het komende jaar. Voor elk jaar had ze schelpen boven elkaar gelegd, één voor elk persoon dat in dat jaar dicht bij haar stond. Ze had strandgapers gekozen voor haar ouders; nonnetjes voor vrienden; kokkels voor kennissen, Japanse oesters voor collega’s, purperslakken voor toevallige ontmoetingen. En een wulk voor Joshua. Ze drukte de schelpen op hun plaats in het zand. Hoe verder naar rechts op de tijdas, hoe langer de rij met schelpen. Sommige jaren werden langer dan zijzelf. De wind trok aan haar trui terwijl ze bukte voor de laatste purperslak. De laatste jaren bevatten veel nonnetjes en kokkels en een wulk die in het afgelopen jaar niet voorkwamen.
Ze wist wat ze wilde doen.
Naast de prullenbak lag een hoop afval: een bundel verstrikte touwen en netten, verregende servetten, en een stuk hard geel plastic van onbekende herkomst. Ze pakte het stuk plastic om namen te schrijven op de vloedlijn. Voor mensen die ze uit het oog verloren was. Voor mensen die niet meer leefden. Voor mensen die haar de rug hadden toegekeerd. Met elke letter voelde ze teleurstelling, spijt, woede, verdriet. De namen sprongen onverwoestbaar uit het zand naar voren, maar de zee kabbelde dichterbij, knabbelde al aan de sliert zeewier die de laatste vloed het strand op had gestuwd.
Bij de laatste naam trilde haar hand. Stond hij niet meer dichtbij haar? Ze schreef J O S H U A en voelde pijn die ze niet kon definiëren.
Toen ze alle namen had geschreven, zeurden haar benen. Ze kon haar schelpenschema niet meer zien. De golven spoelden af en aan dichterbij. De namen lagen machteloos te wachten. Het zand kleurde donker, glinsterde, egaliseerde alsof de letters, de namen, de personen nooit bestaan hadden.
Ze wilde vooruit.
Terwijl ze het kippenvel van haar armen wreef, liep ze terug naar haar schelpenschema. In de verte zag ze Ben. Ze herkende hem aan zijn acrobatentrucjes. Als een dolle maakte hij radslagen, deed een salto, maakte meerdere flik flaks. Hij grijnsde, ‘Wat een ruimte!’ Zijn ogen brandden als de zon, die als een onwerkelijk grote oranje bol op het water dobberde. Soms was ze bang dat zijn ogen haar van binnen zouden verkolen, als ze aan hem zou toegeven.
Hij hurkte naast haar bij het schelpenschema en zei niets terwijl ze schelp na schelp tussen haar vingers verpulverde. Bij de laatste wulk aarzelde ze. Toch zette ze door. De mensen die haar de rug hadden toegekeerd waren niet meer dan afdrukken in het zand.
‘Wie ben ik?’ vroeg Ben.
Ze wees op een rij nonnetjes die doorliep tot het komende jaar.
Met zijn slanke vingers verbond Ben alle afdrukken tot lijnen en bogen en tekende een vis met waaiervinnen.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction, True Stories and tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s