Spiegeldans III-1

Het pad kromt zich in de mist. Het pad ligt op de dijk en is aan beide zijden afgesloten door gaas gespannen tussen houten palen. Aan de ene kant is een grasvlakte vol plassen. Buiten een radius van dertig meter is er niets anders te zien dan witte mist, die door het gebrek aan wind als een deken op de aarde hangt. Ver in de mist ligt de rivier waartegen de dijk de stad beschermt. Het vaarverkeer is stilgelegd totdat de mist is opgetrokken. Aan de andere kant van de dijk strekken stroken achtertuin zich uit naar een bonte verzameling huizen. De tuinen liggen vol met schuren, tonnen, kippenrenen, kinderspeelgoed, watervalletjes, rijen groenten en fruit. De huizen hebben wel of niet een serre, wel of niet een schuin dak, wel of niet een uitbouw op de eerste verdieping, rode of bruine of witte bakstenen, dakpannen of een rieten dak.

Het pad kromt zich de andere kant op de mist in. Er klinken geen geluiden behalve twee paar voetstappen. De twee figuren in wintermantels zijn de enigen op de dijk. Op het eerste gezicht lijken de twee identiek. Ze zijn even lang. Ze hebben beide de capuchon van hun mantel over hun hoofd getrokken, tegen de doordringende kou die overal kruipt. De mantels zijn wit van de schapenwol en behangen met een glanzende laag van druppels. Allebei laten ze hun handen verdwijnen in de zakken van hun mantel. Allebei dragen ze een zak op hun rug die meedeint met hun lopen.

Het ritme van hun lopen is echter verschillend. De één, Tabansi, loopt mank. Het is bijna niet zichtbaar, want zijn ene schoenzool is hoger dan zijn andere schoenzool. Maar elke stap zakt hij aan de ene kant iets verder door dan aan de andere kant. De andere figuur, Volodya, loopt sneller dan Tabansi, waardoor hij elke paar stappen inhoudt en wacht tot zijn compagnon hem heeft ingehaald. Elke paar meter laat hij een zwart keitje zo groot als een duimnagel uit de zak van zijn mantel vallen.

‘Hey, ouwe’, zegt Volodya. ‘Volgens mij zijn we verdwaald. Laten we omkeren!’

‘Volya. Hou. Je kop. Dit is. De goede. Route.’ De stem van Tabansi rommelt tussen de mist door. Hij hijgt. Een ziekte woekert in zijn longen. De dokters hebben hem opgegeven. Zijn langste prognose was een jaar. Dat is vier jaar geleden. Hij is niet van plan dood te gaan voordat hij kinderen heeft.

Het pad kromt zich weer de andere kant op de mist in.

‘Zeg, ouwe, hoe ver is het nog? Een kwart? Driekwart? Twee uur? Mijn voeten doen pijn. We hebben helemaal van ginder naar hier gelopen. Zie je mijn spoor?’ Hij wijst op de zwarte keitjes waarvan er nog drie zichtbaar zijn en de rest is opgeslokt door de mist. ‘Als we verdwaald zijn, volgen we dat gewoon terug.’

‘Volya. Je bent. Een idioot.’

‘O ja? Voor zover ik me herinner heb ik jou gevraagd om mij te helpen die twee drugsbazen om te leggen. Aangezien jij, met je geweldige reputatie, nu hier naast mij loopt, kan dat alleen betekenen dat jij een idioot bent die heeft besloten mij te helpen met mijn opdracht.’

‘Volya. Hou. Je kop.’

‘Wat?! Ouwe, kan ik niet eens een fatsoenlijk gesprek voeren? Moet je zo hoog van de toren blazen vanwege je geweldige reputatie?’ Volodya laat opnieuw een keitje vallen. ‘Weet je dat je baard helemaal wit is?’

Tabansi strijkt over zijn baard, zijn grote trots die hij elke dag bijwerkt met een schaar die hij in een katoenen doekje rolt voordat hij deze in zijn rugzak stopt. Vanavond zal hij lange tijd bezig zijn om het model van zijn baard weer terug te krijgen.

De mist blijft onverminderd dik. Maar dat is goed. Niemand zal hen zien. De mist absorbeert het geluid van hun voetstappen en stemmen. Het is nog vroeg op de ochtend. Weinig mensen zijn al wakker, laat staan op de dijk.

‘Volya. Je moet. Wat meer. Geduld hebben.’

‘Geduld?! Waarvoor moet ik geduld hebben? Het leven wacht niet op mij. Het leven is een serie van spontane acties. Je kiest waar je op het moment voor voelt. Ik voel nu dat we verdwaald zijn. Dan beslis ik dat we beter terug kunnen lopen naar waar we nog wel wisten waar we waren. Vandaar mijn spoor.’

‘Volya. Het leven is. Een serie van. Weloverwogen acties.’

‘Ouwe, daarom krijg jij dus geen vrouw in bed. Je denkt overal veel te lang over na. Dan is ze al weg.’

‘Ik wil niets. Overhaasten.’

‘Je gaat toch geen vrouw afwijzen omdat je niet wil overhaasten? Je kunt in één nacht alles over elkaar leren. Ik vertel haar alles over mij en zij vertelt alles over haar. We delen ons moment. En als we elkaar zat zijn, dan komt er zo weer een nieuw moment, met een nieuwe vrouw. Er zijn er zo veel, en zulke mooie, dan ga je toch niet wachten en hopen dat je na lang nadenken die ene kunt kiezen die net iets beter is dan al die anderen?’

‘Hoeveel vrouwen. Heb je. Gehad?’

‘Genoeg, ouwe. Denk niet dat ik alleen over mijn idealen praat. Dit is ervaring. Mijn levenspad.’

‘Maar je denkt. Dat je sikkel. Niet genoeg. Is.’

‘Niet genoeg?!’ Volodya pakt zijn mes onder zijn mantel vandaag. Het is sikkelvormig en gemaakt van diamantstaal, een materiaal dat energie van vuurtypes kan absorberen en verspreiden tijdens een gevecht. ‘Ik ben minstens zo groot als mijn mes, ouwe. Je hebt het zelf gezien.’

‘Daar zouden. We het niet. Meer. Over hebben.’

‘Je hebt gelijk. O man, o man. Die mist is niet goed voor mijn mes. Daar komt roest van.’ Hij wrijft over het lemmet en stopt het dan weer terug onder zijn mantel. ‘Zeg ouwe, hoeveel vrouwen heb je gehad dan?’

‘Eén.’

‘Eén?! Uiteraard heb jij er één gehad. Dat heb je me nooit verteld. Ik heb er ook niet eerder naar gevraagd. Maar dit verklaart alles. Je houdt van haar. Dat weet ik zeker. Zeg, ouwe, wacht ze op je thuis?’

Tabansi schraapt zijn keel. Zijn ademhaling reutelt. Zijn voetstappen vertragen. Verderop is de wachtpost van de zuidelijke ingang naar de stad. Er zijn twee wachters die elke twee minuten op een knop bij de poort moeten drukken. Gebeurt dit niet, dan krijgt de interne beveiliging een signaal dat er iets fout is. Dan worden er versterkingen gestuurd. Dat betekent dat ze een tijdvak van twee minuten hebben om door de poort te komen.

Volodya komt naast hem staan en gooit een keitje uit zijn zak. ‘Wat is het plan, ouwe?’

‘Schakel ze uit. Met je mes.’

‘Ik weet niet, ouwe. Persoonlijk vind ik het geen pretje om mensen te doden. Het is zo zonde als ze niet meer thuis komen. Praktisch gezien: ondanks de mist betwijfel ik of ik snel genoeg ze allebei kan omleggen, voordat één van de twee begint te schreeuwen. Bovendien, ouwe, wil ik wel eens zijn of de verhalen over jouw geweldige reputatie op de waarheid zijn gebaseerd.’

Tabansi haalt lang en diep adem. ‘Die mist. Komt van pas.’ Hij legt zijn rugzak op het pad en haalt het statief en zijn sniper eruit. In een paar seconden ligt de sniper op het statief en knielt Tabansi achter zijn wapen. ‘Volya. Maak daar vuur.’ Hij wijst richting de tuinen een eind terug.

‘Komt voor elkaar, ouwe.’ Volodya loopt van het pad de berm in tot aan de voet van de dijk. Hij zet zijn capuchon af. Koud, koud! De mist plakt tegen zijn oren en nek terwijl hij zijn vingers spreidt en energie uit zijn handpalmen laat stromen. Zijn energie dringt in de grond, tussen het zand en de klei en de wortels van het gras en de andere planten. De grond is doorweekt en de waterspiegel staat hoog door de druk van buiten de dijk. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat de eerste sintels beginnen te gloeien. Na een tweede eeuwigheid groeit een vlam boven het gras. Dit zal mijn vader trots maken.

Tabansi knijpt zijn ene oog toe. De mist is zo dik dat hij zelfs geen schimmen kan onderscheiden bij de wachtpost. Het vuur van Volodya creëert een gat in de mist, wat de rest van de mist langzaam opwarmt en doet opstijgen.

De twee wachters leunen nonchalant tegen de rand van de poort. Eerst de ene. Tabansi vuurt. De wachter glijdt onderuit. De ander merkt niets. Tabansi vuurt nogmaals. Raak.

Volodya is terug. Tabansi vouwt zijn statief op en demonteert zijn sniper.

‘Ouwe. Als je mij laat helpen, gaat het veel sneller.’

‘Jij raakt mijn. Spullen niet aan.’

‘O man, o man, wat een eigenwijze gast ben jij.’ Volodya tikt ongeduldig met zijn voet op het pad tot Tabansi weer rechtop staat. ‘We hebben niet meer genoeg tijd. Op mijn rug!’ Hij buigt door zijn knieën voor Tabansi en dwingt zijn compagnon op zijn rug te stappen.

‘Wil je. Me dood?’

‘Geen zorgen, dat ga je toch wel. Maar niet als ik er ben.’

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction and tagged , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s