Rood-met-witte tegeltjes

Ze zaten in een wegrestaurant in Polen, of Tsjechië, of Slowakije. Ze wist het niet meer. De taal en de menukaarten waren bijna identiek, evenals de mengeling van Sovjetauto’s en Westerse auto’s, de heuvels en de akkers en de slecht onderhouden wegen die daardoorheen slingerden. Een wegrestaurant was overigens een groot woord. Het was niet meer dan een ruimte vol versleten tafels en stoelen, met vochtplekken in de muren die door jaren 70 popart posters maar amper verborgen konden worden, en rood-met-witte tegeltjes boven de deur welke de indruk wekten dat het wegrestaurant oorspronkelijk enkele meters hoger was gebouwd maar door de grootschalige waterwinningen was verzakt.
Ze dwong frietje na frietje naar binnen terwijl hij aan het woord was. Hij vertelde uitgebreid over de keren dat hij met Sonja in een dergelijk wegrestaurant had gezeten en ze altijd haar sla en tomaat apart legde alvorens deze op te eten, nooit iets anders bestelde dan water, en servetjes eerst uitvouwde voordat ze haar mond afveegde.
‘Maar ik kon niet met haar praten’, voegde hij toe. ‘Met jou wel.’
Ze vroeg zich af of haar vaardigheid “met hem kunnen praten” bewonderenswaardig was, aangezien ze met zo veel mensen kon praten, maar wellicht was de nadruk op “met hem kunnen praten” in zijn ogen een prestatie die niet veel haar na konden doen.
Het glimmen van het emaillen oppervlak van de rood-met-witte tegeltjes en het schijnbaar willekeurig kleur veranderen – van rood naar wit en andersom – fascineerden haar. Het hielp haar iets beter zijn stem en aanwezigheid te verdragen. Zijn brede schouders hadden haar aangetrokken, dat mannelijke en onwrikbare onder een leren jack, en de manier waarop zijn heupen mee zwikten met zijn stappen, alsof er een danser in hem verscholen zat. Zijn dansen beperkte zich echter tot een heimelijk schuren tegen haar rug en billen en zijn handen die over haar buik hadden gegleden, en haar bezwete top hadden bevoeld alsof het iets nieuws en unieks was. Het was ergens halverwege de nacht geweest, ze was haar vriendinnen al uren terug uit het oog verloren – meestal dronken zij een shotje en staarden als rasechte muurbloemen naar het geflirt op de dansvloer en verhuisden elk half uur naar een nieuwe kroeg, bang dat het uitblijven van enige beweging op de muziek hen als stijf en saai zou bestempelen.
Zijn ogen vroegen niet of hij mocht zoenen of aan haar mocht zitten, maar hij deed het toch en dat beviel haar wel. Dat ze hier stond betekende toch genoeg? Ze had geen behoefte aan geforceerde vriendelijkheid. Ze was beschikbaar en iedereen mocht daar gebruik van maken.
Maar er was iets dat in zijn ogen huisde dat haar sinds die nacht vorig jaar al zorgen had gebaard. Soms krabbelde hij woorden in een notitieboekje, wat hij nerveus dicht klapte als ze in de buurt kwam. Soms dronk hij cognac terwijl zijn lichaam trilde en er tranen over zijn wangen rolden. Ze mocht hem dan vooral niet aanraken, want “die klootzak had wel genoeg aangeraakt”. Het waren de momenten dat haar hart kromp en ze wenste dat hij meer zou vertellen dan een waslijst aan feitjes over Sonja met wie hij niet kon praten. Vaak kromp haar hart nog iets verder als hetgeen dat in zijn ogen huisde zijn handen gretig maakten maar zo losjes dat ze het eigenlijk niet prettig vond.
Zijn stem was als een monotone verslaggever op de achtergrond als ze de radio op de verkeerde zender had laten staan maar met haar handen net het vlees stond te kruiden. De stem zei woorden over het eten en de pop art posters en haar afwezige gedrag. Ze knikte en mompelde iets over moe zijn. Maar moe zijn in de traditionele betekenis, een vermoeid gevoel na een inspannende activiteit, deed haar “moe zijn” tekort. Ze was uitgeput, tot op het bot leeggezogen.
Ze wist wel waarom ze moe was maar het was niet dat ze daar iets aan kon veranderen. Ze zette genoeg op tafel voor het ontbijt, nam genoeg mee voor de lunch, kookte ’s avonds wat ze allebei lekker vonden. Maar er ontbrak haar de motivatie om alles op te eten, alsof de geuren en de smaken haar tegenstonden zodra ze een paar happen had genomen. Het opeten leek eindeloos te duren, terwijl hij praatte, terwijl haar collega’s praatten, terwijl ze alleen een rondje liep en op een bankje probeerde te ontspannen.
Soms lag ze urenlang wakker en luisterde naar zijn kinderlijke gebrabbel en dacht er vaak aan om uit bed te stappen en niet meer terug te komen.
Ze frummelde aan het ringetje door haar linkeroorschelp. Hij had gezegd “Wat grappig” de eerste keer dat ze het hem had laten zien. Ze had gehoopt dat hij zou vragen waarom ze dat ringetje had genomen, of het piercen pijn had gedaan, waarom ze links had gekozen en niet rechts.
De rood-met-witte tegeltjes voerden een stille disco op. Er was iets met de tegeltjes. Het leek erop dat de tegeltjes reageerden op haar aandacht en haar iets probeerden te vertellen.
Het was koud in het restaurant, ondanks het stomen van de frituur en de pannen en de zon die vol op de ramen scheen op één van de eerste zomerdagen. De grond was van een lelijk, grijs beton dat slijtsporen vertoonde op de plaatsen waar het personeel heen en weer liep, en het ademde een doodse, vochtige lucht uit die haar keel op slot zette.
Het liefst zou ze bij hem weg gaan. Maar niemand van buiten zou dat snappen.
Iedereen van buiten zag een koppel dat een standaard rijtjeshuis huurde in een middenklasse buurt van een middelgrote stad. Iedereen van buiten zag een koppel waarvan de man elke werkdag om zeven uur het huis verliet en om half zes weer terugkwam en de vrouw vier dagen per week om acht uur het huis verliet en om vier uur weer terugkwam. De vitrage voor de ramen belemmerde ongegeneerde inkijk, maar er was niet verbergen van nieuwsgierige voorbijgangers. Het huis zag eruit alsof het bewoond werd door een gelukkig stel: kussentjes op de bank, orchideeën in de vensterbank, en een post-it met “ik hou van je, x” op de koelkast.
Zijn ouders waren als twee kabouters: blozende wangen, glimmende ogen, eenvoudige glimlach. Er hing een leegheid in het huisje dat volgestouwd stond met donkerkleurige meubels en potten vol reusachtige planten, alsof iemand heel hard zijn best deed om anderen te doen geloven dat het huisje al zeker dertig zo bestond, maar het eigenlijk pas enkele weken terug door een goedkope binnenhuisarchitect was ingericht. De kabouterouders konden elk moment losknappen van de onzichtbare draden die hen overeind hielden, of de planten waren niet meer kartonnen platen, of het hele huis was niet meer dan een ingericht toneel.
Ze had altijd gedroomd van een schoonmoeder die taarten bakte en lekker kon koken en haar bij elk bezoek volpropte met lekkernijen. Dat gebeurde ook. Alleen na elke taartpunt of avondmaaltijd stak haar honger snel weer de kop op, alsof niet alleen het gezellige huisje en de blozende ouders eigenlijk niet bestonden, maar het overdadige eten evenmin.
Haar eigen ouders woonden allebei ergens anders. Bij haar moeder deed ze moeite om niet te kotsen van de kattenbakgeur en het gemauw van haar zeven poezen die zich overal in het appartementje opkrulden en uitrekten. Het uitzicht op de rij ramen van het complex aan de overkant droegen bij aan de benauwdheid die ze daar altijd voelde, alsof alles om haar heen over haar zou kunnen storten tot ze niet langer ademde. De muren hingen vol met 3D-kaarten van bloemenkindjes en origamivogels in alle kleuren van de regenboog. Haar moeder gaf haar knutselwerkjes nooit weg, want dan hadden haar vriendinnen een reden om haar te bezoeken.
Haar vader bewoonde een pand in Amsterdam. Beneden had hij zijn kantoor ingericht, waar hij klanten ontving die hun pensioen wilde beleggen en daar hulp bij nodig hadden. Boven woonde hij samen met boudoirs vol sterke drank en volle vrouwenbeeldjes. Als ze bij hem langs wilde, moest ze zijn secretaresse bellen voor een afspraak. ‘Ik houd heel veel van je, schattebout,’ zei haar vader dan, ‘Maar ik moet ook mijn grenzen aangeven.’
De rood-met-witte tegeltjes zweefden en begonnen zich rondom hen op te bouwen tot muren. De hoeken van haar zichtveld vielen weg en werden geheel opgeslokt door een witte waas die ze niet kon verklaren. Er was niets behalve de ruimte om hen heen. Er was niemand anders behalve hen, geen personeel van het wegrestaurant, geen andere gasten, zelfs geen geluiden van vrachtwagens die voorbij denderden.
Het was koel in de ruimte, als het aangename koel van een slaapkamer waarvan de gordijnen de hele dag gesloten zijn geweest tijdens een plakkerige zomerdag. Ze wenste dat ze hem kon achterlaten in deze vreemde ruimte van tegeltjes. Hij zat met gesloten ogen, sereen. Vielen zijn lasten weg?
Het was misschien beter voor hem. Soms was er een glinstering in zijn ogen die haar vertelde dat hij wilde leven, wilde genieten, kinderen wilde, gewoon wilde zijn. Maar er waren herinneringen die hem in een duisternis trokken, die zijn handen losjes maakten, die het ogenschijnlijk stabiele van zijn brede schouders onderuit haalden en hem terug worpen in een staat van angst.
Angst.
Dat was het enige woord dat ze ervoor kon bedenken. Er huisde een angst in hem die hij niet kon loslaten.
Ineens voelde het alsof er een strop rond haar keel lag. Ze kon niet meer ademen. Haar strottenhoofd drukte tegen haar luchtpijp. Speeksel verzamelde in haar mond maar kon nergens heen.
Langzaam veranderde het gevoel in woorden.
Er was niets dat haar bij hem hield; er was iets dat haar tegenhield bij hem weg te gaan.
Niemand had haar ooit langer dan drie weken gewild. Hij wel. Ze wilde niet weer alleen zijn en zich afvragen wat ze de hele tijd fout deed. Ze nam het voor lief dat hij zo veel deelde over Sonja met wie hij niet kon praten, en Nathalie, en Nina, Barbara, Julia, Lianne, en de anderen van voordat hij achttien was die hij wilde vergeten omdat hij zich had overgegeven aan zijn lusten terwijl het samenzijn, zoals hij dat meestal uitsprak met een glas cognac in zijn handen, “onwettelijk” was geweest.
In de ruimte met de tegeltjes zat hij met over elkaar gevouwen armen en rolde een plooi van zijn trui tussen zijn duim en wijsvinger heen en weer. De witte waas cirkelde rondom hem, betastte hem, omarmde hem. De ruimte met de tegeltjes verdween in de witte waas. Zijn gezicht was kalm, alsof hij haar beslissing accepteerde.
Het getoeter van een vrachtwagen buiten drong rauw en onwerkelijk in haar hoofd. Ze zat in het wegrestaurant.
Hij zat niet meer tegenover haar. Zijn bord en bestek en glas waren weg. Het personeel liep langs in hun schorten vol vlekken. Rondom haar klonk het gerinkel van bestek en glazen, gesprekken in een taal die ze niet verstond, en het sissen van de frituur.
Ze ging op zijn stoel zitten. Op haar bord lagen nog een paar koud geworden frietjes. De saus van de salade leek te stollen tussen flinters kool en wortel.
Alleen aan tafel zitten beangstigde haar. Wat dacht iedereen wel niet? Had ze op haar leeftijd nog geen ring om haar vinger kunnen krijgen? Zwierf ze maar wat rond door vreemde landen, als een meisje van lichte zeden, als een oude vrijster?
Maar tegelijkertijd was er opluchting. Uit ervaring wist ze dat het goed voor haar was om een tijdje alleen te zijn. Ze zou beter slapen. Ze zou haar vriendinnen weer vaker zien. Ze zouden haar meenemen op kroegentocht en binnen een paar maanden zou ze de man van haar leven tegenkomen.
Ze pakte haar handtas en haar jack en liep naar buiten, waar de zon warm en zacht op haar scheen. De parkeerplaats was vol met auto’s die blonken in het overdadige daglicht en de geur van de kiezels die knerpten onder haar sneakers. Op de autoweg reden auto’s af en aan; het zou niet moeilijk zijn een lift te vinden.
‘Hey, schat, was je al naar buiten?’
Hij stond naast haar. De riem van zijn broek hing los en de knoop stond waarschijnlijk open, maar dat werd half verborgen doordat zijn blouse ervoor hing.
Ze voelde opnieuw opluchting. Nu omdat hij er was en ze zich geen zorgen hoefde te maken of het niet jaren zou duren voordat ze een nieuwe man zou tegenkomen.
‘Kom, we gaan naar de auto.’ De scherpte in zijn stem vertelde haar genoeg. Hij greep haar hand en kneep harder dan nodig was. Hij wilde graag het gevoel hebben de baas te zijn.
Op de bijrijdersstoel klemde ze haar handen tussen haar dijen. Ze wist nog steeds niet of de glans in zijn ogen betekende dat hij haar uitdaagde, op een plagende manier zoals minnaars elkaar uitdaagden, om dat hij iets wilde doen wat misschien wel mocht, maar beter niet ontdekt kon worden, of dat de angst in hem dichter naar woede groeide en hij die woede moest koelen maar dit de enige manier was waarop hij dat kon, zonder haar echt pijn te doen.
Hij zei: ‘Zo wordt je ten minste niet zwanger’, wat verwees naar die ene keer dat hij zich had laten ontvallen dat Sonja zwanger was geraakt, maar niet van hem, dat wist hij heel zeker, en: ‘Het hoeft niet zo diep.’
Ze voelde haar hart wild bonken toen ze haar mond opende en zijn handen extra hard tegen haar hoofd duwden, alsof hij zijn “Het hoeft niet zo diep” alweer vergeten was.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction, PP side-stories, Uncategorized and tagged , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s