De oorlog nam, zij kregen

I
Vika hikte van het lachen toen Torak het vuilnis aan de straat zette en al het afval door een scheur in de zak op de stoep stroomde. Ze zat in de boomhut die haar broer had gebouwd. Haar slanke meisjesbenen bungelden over de rand.
Torak rende terug de tuin in om een bezem en een nieuwe zak te halen, voordat zijn moeder het zou merken en hij zonder eten naar bed moest.
‘Jongens zijn nergens goed voor!’ hoonde Vika. ‘Rommelmaker!’
‘Houd je bek!’ schreeuwde Torak terug. ‘Of ik trek je uit die hut!’
‘Dat durf je niet!’
Hij beet zijn tanden op elkaar en ruimde zwijgend het afval op. Een meisje slaan was kansloos.

II
Op een avond, jaren later, toen ze beiden geen kinderen meer waren, kwam Vika melk en brood brengen omdat zijn moeder ziek was. Haar schouders zakten een beetje naar beneden toen ze hem begroette, alsof ze bij hem geen noodzaak voelde op haar hoede te zijn. Zonlicht van buiten benadrukte de zachte vormen van haar lichaam terwijl ze knielde bij de sofa, waar zijn moeder lag omdat ze zich eenzaam voelde in de slaapkamer.
‘Haal thee!’ droeg zijn moeder hem op met haar hese stem.
In de keuken luisterde Torak ademloos naar het gesprek tussen Vika en zijn moeder. Hij had geen idee waar ze het over hadden. Hij hoorde alleen hoe hun stemmen mengden tot een gezang waar hij eindeloos naar kon luisteren. Het paste bij de glooiende randen van de bergen die het dal van hun stad omsloten. Het paste bij het zoemen van de krekels. Het paste in zijn huis.
Op de dag voor haar zestiende verjaardag duwde hij een pakje in de handen van Vika en rende daarna zijn eigen huis binnen. Vanuit het zolderraam keek hij met kloppend hart toe hoe ze het pakje in de vuilnisbak kieperde en het er vervolgens weer uit viste.
De sjaal was een grijzig groen, de kleur die haar het beste omschreef. Op de stof zaten gouden draadjes, als de lichtjes in haar ogen als ze lachte.
Misschien, dacht hij, kon hij haar vader vragen of hij met haar mocht trouwen.

III
De volgende dag vielen de eerste bommen. De straten scheurden stuk. Gebouwen stortten in. De boom die hun tuinen scheidde raakte ontworteld en lag als een griezelige brug tussen het puin.
Torak was op zijn werk toen het gebeurde. Op de weg reden ambulances en brandweerwagens met loeiende sirenes. Mensen in witte uniformen trokken hem een geel hesje aan en lieten hem meezoeken. Hij tufte speeksel met roet om de bittere smaak van schroeiend vlees kwijt te raken. Bij elk kledingstuk dacht hij een lichaam gevonden te hebben.
Hij liep een nacht lang door de smeulende resten van de muren en de meubels waartussen hij zijn hele leven had gewoond. Hij vond de foto van zijn ouders en hemzelf en zijn broertje die was genomen tijdens het laatste Suikerfeest. Ze stonden in hun mooiste kleding. Op de voorgrond lonkten de gerechten die zijn moeder en haar zussen dagenlang hadden bereid. Hij herinnerde zich het plaklaagje op zijn tanden nadat hij van alle zoetigheden minstens één hap had geproefd.
Het was alsof de tijd terug uit werd getrokken. Alle kleuren raakten vergrijsd. Alles wat hij kende, bestond niet meer. De hele wereld was een onbekende, beangstigende plaats geworden. De hemel lag aan gruzelementen.
Na een dag vielen er opnieuw bommen. God was zeler ook naar beneden gevallen. Anders had Hij iets gedaan om dit te voorkomen. De schuilkelders waren overvol. De straten waren spookachtig leeg. Torak wilde er niet langer blijven.

IV
Hij vluchtte, leerde een nieuwe taal, en vond een baan als elektricien. Elke dag reden Klaas met de baard en hij door heel Nederland om snackautomaten te repareren. Hij raakte gewend aan het geordende verkeer in dat andere land, aan de slappe koffie, aan het leven dat binnen en niet langer buiten was. Hij miste de kleur geel. Er was niets geel in dit land, behalve de zon en de tegels van het hinkelspel tegenover zijn huis.
De tijd die Torak niet op werk doorbracht, was zijn vijand. De tijd moest gedood, anders doodde de tijd hem. Daarom rende hij veel, dwars door straten en parken. Hij rende zo veel dat hij uiteindelijk kilometers kon rennen zonder moe te worden.
Op zijn nachtkastje lag een fotolijstje met de foto naar beneden gekeerd. Eens per dag dwong Torak zichzelf de gezichten op de foto in zich op te nemen. Hij vroeg zich af waarom het soms leek alsof hij die gezichten nooit gekend had, alsof zijn leven in Syrië nooit had bestaan.
Zijn collega’s namen hem elke donderdag mee naar een café aan de gracht. Het café was zo diep dat Torak soms dacht er te kunnen verdwalen tussen alle tafeltjes en gokkasten. De eerste keer dat hij bier dronk voelde hij de zonde als een loden kist rond zijn nek hangen. De keer daarna was het prikkelende gevoel in zijn keel wel grappig. God had hem gestraft, of was hem vergeten. Hij zag niet in waarom hij niet even kon vergeten dat alcohol drinken niet mocht. Het wiste zijn geheugen. Het liet hem slapen zonder wakker te schrikken uit nachtmerries waarin er eindeloos bommen vallen en hij nergens kan schuilen. Het hield hem alert op zijn werkdagen en maakte de uren waarin hij niet werkte, beter draagbaar.
Op een dag kocht hij een fiets. Elke avond fietste hij drie keer hetzelfde rondje door het park dat grensde aan de wijk waar hij woonde. Het kalmeerde hem, het geknerp van het stuk grindpad onder zijn banden, het tjilpen van vogels, het geroep van voetballende jongens. Als het regende, deed hij een regenpak aan. Dat had hij afgekeken van de Nederlanders.

V
De dame van het buurtcomité vroeg of hij wilde helpen als tolk bij het asielzoekerscentrum. Vanaf de eerste dag voelde hij zich thuis. Iedereen kende hem. Hij kende iedereen. Het voelde als familie.
Elk jaar bereidden ze de asielzoekers voor op Oud en Nieuw. In kleine groepen legden ze uit over de traditie van vuurwerk, maar ook over oliebollen en champagne.
Eén vrijdagochtend was Torak laat. De avond daarvoor hadden hij en de alcohol een geweldige tijd gehad. Hij verontschuldigde zich aan de groep terwijl hij zijn laptop aansloot op de beamer. Toen zag hij Vika. Haar schouders zakten een beetje toen ze oogcontact hadden.

VI
Ze droeg de sjaal die hij haar had gegeven. Naast haar zat haar broer. Haar broer was de Bullebak door wie Torak ooit in elkaar was geslagen. Volgens De Bullebak had Torak te lang naar zijn zusje gekeken. Vika had zwijgend achter een lantaarnpaal gestaan. Toen haar broer klaar was, had ze een handvol steentjes naar Torak gegooid.
Nu droeg de Bullebak een zwart lapje voor zijn ene oog.
Torak begon zijn presentatie. Zijn stem trilde. Hij raffelde grote delen af. Hij liet de schaal met oliebollen rondgaan maar stootte de poedersuiker om, zo op de schoot van een vrouw die zijn moeder had kunnen zijn.
Zweet prikte in zijn nek toen hij de laatste vraag had beantwoord. De mensen begonnen op te staan.
Vika niet.
Ze kon niet meer lopen.
Ze had geen benen meer.

VII
Vika slurpte haar koffie. ‘Mijn broer heeft me gedragen,’ zei ze. Er waren lijnen in haar gezicht die niet pasten bij een vrouw van begin twintig.
Haar broer zat zwijgend op een stoel en roerde in zijn kopje ook al zat er niets meer in.
Reddingswerkers hadden hen onder het puin van een winkelpand vandaan gehaald. Ze konden pas vluchten toen de wonden van Vika genezen waren. De vlucht had jaren geduurd. Ze waren bijna verdronken op zee. Ze waren op een vliegtuig terug gezet maar ontsnapt. Ze hadden geld gestolen. Ze hadden gebedeld.
‘Je bent nu veilig,’ zei Torak zacht. Hij kon zichzelf wel slaan omdat hij was gevlucht zonder Vika.

IX
Vika reed de rolstoel als een koningin het café in. Vanochtend had hij voor het eerst haar zwarte glanzende haren gezien voordat ze de hoofddoek omsloeg. De sjaal rond haar nek was versleten en verbleekt. Ze kneep erin op de momenten dat ze naar hem luisterde, toen hij vertelde over zijn vlucht en de tijd daarna.
Daarna beantwoordde ze zijn vragen. Wat ze wilde doen. Waar ze wilde wonen. Wat ze wilde doen met Oud en Nieuw. Of ze last had van nachtmerries.
Plotseling begon ze te huilen, alsof er een bassin in haar helemaal overstroomde.
Mensen in het café staarden.
‘Ik wil niet meer,’ fluisterde Vika.
‘Wat?’ stamelde Torak.
‘Ik wil dood,’ zei ze waarna haar ogen hem niet meer durfden aan te kijken. ‘Ik ben een buitenlander. Een gehandicapte buitenlander! Ik ben een last voor iedereen!’
‘Hou op!’ Hij sloeg zijn vuisten op tafel. De alcohol in zijn bloed legde zijn tong in de knoop. ‘Je gaat niet opgeven nu je hier bent! Laat je niet onderuit halen door die verdomde oorlog!’
‘Je begrijpt niets van mij!’ schreeuwde ze terug. ‘Ik wil dood zodat ik God kan vragen waarom hij me gehandicapt heeft gemaakt. Hij had me kunnen laten sterven.’
Torak herademde. ‘Wat vindt je broer?’
‘Geen idee!’ zei Vika. ‘Hij praat niet meer.’

X

De hemel was grijs en eindeloos hoog. Honderden meters verder stond een rij bomen op de horizon. In dit land was de horizon overal, alsof de wereld inderdaad plat was. De grafstenen lagen zo rustig tussen het gras en de paden. Het paste niet bij al die doden.
Torak rilde. De grijsgroene sjaal was niet heel warm, niet geschikt voor dit trieste weer, maar rook naar haar.
‘Wil je hier straks liggen?’ vroeg hij.
Vika was naast hem in haar rolstoel. ‘Het is mijn leven. Als ik ervoor kies ermee te stoppen, dan mag dat.’
‘Je laat ons allemaal achter.’
‘Dat klopt.’
Hij knielde naast haar. Haar handen waren opgeborgen in gebreide wanten. Toch greep hij ze vast. ‘Trouw met me,’ zei hij.
Ze bewoog niet maar zei alleen: ‘Denk je dat ik wil trouwen met iemand die God afvallig is? Je drinkt! Denk niet dat ik dat niet gemerkt heb!’ Haar stem was schril, niet zo melodisch als de dag dat ze met zijn zieke moeder had gepraat.
‘Ik kan stoppen met drinken,’ zei hij. ‘Als jij dat wilt.’
‘Doe niet zo gek! Waarom wil je trouwen met een vrouw als ik?! Ik kan niet eens lopen.’
‘Al moet ik je overal dragen, ik doe het graag.’
‘Hou op!’ Ze duwde hem weg. ‘Waarom ben je niet allang getrouwd?’
De huilende wind vulde stilte die tussen hen groeide.
‘Torak? Waarom ben je niet allang getrouwd?’
‘Ik… ik was niets,’ begon hij aarzelend. ‘Ik miste iedereen. Soms leek het alsof ik mijn hele leven in dit vreemde land heb gewoond. Maar nu ben ik weer iets.’ Hij staarde naar de gouden lichtjes in haar ogen. ‘We geven je nieuwe benen,’ vervolgde hij vastberaden. ’Er zijn dokters die dat kunnen.’
‘Torak…’ Haar schouders kropen omhoog. Hij duwde ze zachtjes weer omlaag.
Ze stond toe dat hij haar optilde. Haar armen waren stevig en warm om hem heen.
‘Ik wil bij een bank werken,’ zei ze bij zijn oor. ‘Dat verdient goed. Ik wil nooit meer hoeven bedelen.’
‘We gaan het regelen,’ zei hij.
Ze rilde.
Hij bood haar de sjaal aan.
‘Ik heb toch gezegd, de kleur past niet bij mijn jas.’
Hij zette haar terug in de rolstoel en liet de sjaal op haar schoot vallen.
Torak duwde Vika terug naar het asielzoekerscentrum. Voordat ze het kerkhof af waren, deed ze de sjaal al om. Het kon niet anders dat God begreep waarom hij was gaan drinken. Daarom werd hij niet gestraft maar beloond met het enige waar hij al die tijd voor gebeden had.

 

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction and tagged , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s