Er was eens een tovenaar

I

Er was eens een tovenaar op weg naar de andere kant van het bos. Daar was een bijeenkomst van tovenaars, heksen en genezers. Er was namelijk iets verschrikkelijks aan de hand. Alle varkens in het land waren ziek.
Het begon al donker te worden. De temperatuur daalde en de wind blies steeds harder. Verderop schemerde er een licht. Was dat een huis? Ja. Er was een huis midden in het bos.
De tovenaar klopte op de deur. Er werd open gedaan door een vrouw met een prachtige groene doek rond haar hoofd. ‘Goedenavond,’ zei de tovenaar. ‘Kan ik misschien bij u overnachten?’
‘Natuurlijk,’ zei de vrouw. ‘Komt u gauw binnen, anders vat u nog kou.’
De vrouw heette Anne. Ze verbouwde groente en fruit rondom haar huis en verkocht dat elke week op de markt. En van de melk van haar geit Romulus maakte ze heerlijke boter en kaas.
In het huis was het warm en knus. De openhaard brandde en het hout knapte. Anne zette haar gast aan tafel. Ze gaf hem haar laatste stuk brood, een stuk heerlijk zachte boter, een kom soep van haar eigen groente en een schotel vol partjes van haar zoetste fruit.
De tovenaar at gulzig van al dat lekkere eten. Nadat hij verzadigd was, maakte Anne haar bed voor hem op. Zelf sliep ze die nacht op de vloer voor de openhaard.
De volgende ochtend vertrok de tovenaar al vroeg. Anne had ontbijt gemaakt: een glas melk, verse, gepofte mais, en een handvol wilde bramen. Ze stond bij de deur te wachten tot haar gast zijn mantel weer had aangetrokken.
‘Dank u wel voor de gastvrijheid,’ zei de tovenaar. Hij kneep zijn ogen samen. Dat deed hij elke keer als hij een idee had.
‘Ik wens u een plezierige reis,’ zei Anne.
Buiten draaide de tovenaar zich om. Hij zei: ‘Wat u vandaag als eerste doet, zult u de rest van de dag doen.’ Na deze mysterieuze woorden verdween de tovenaar tussen de bomen.
Anne had niet veel tijd om na te denken over wat de tovenaar had gezegd. Ze moest haar geld tellen, want ze wilde bij de houtsmid een nieuwe kar kopen.
Ze opende haar beurs en pakte er een munt van vijf cent uit. En nog een. En nog een. En nog een. Anne hapte naar adem. Haar hand bleef munten uit haar beurs pakken. Pas toen de zon onderging, stopte het. De vloer was bedekt met een laag munten van wel een meter dik!

II

Het nieuws van Anne verspreidde zich razendsnel. Even verderop in het bos woonde Hella. Zij droeg altijd jurken van hele dure stoffen. Dan voelde ze zich bijzonder en elegant. Om geld te verdienen, maakte ze schoon bij een paar vrouwen in het dorp. Maar Hella haatte het om schoon te maken. Haar handen gingen ervan rimpelen. De vieze geuren bleven in haar haren hangen. En het allerergste was het schort dat ze moest dragen, een wit, gesteven schort met een tuttig kraagje. Zo wist iedereen dat ze een schoonmaakster was!
Hella besloot dat ze de man, die tovenaar moest zijn, onderdak zou bieden en hem haar gul zou laten betalen. Speciaal voor haar plan ruilde ze haar geld om voor een gouden munt en stopte deze zorgvuldig in haar beurs.
Een paar dagen later kwam de tovenaar terug van de bijeenkomst. Hij was somber gestemd. Ze hadden geen oplossing kunnen vinden voor de zieke varkens.
Het begon donker te worden. Hella had stengels kamperfoelie rondom haar huis gelegd, zodat de dansende vuurvliegjes de aandacht van de tovenaar zouden trekken. Niet veel later klopte hij op haar deur.

III

‘Goedenavond,’ zei de tovenaar. ‘Kan ik misschien bij u overnachten?’
‘Natuurlijk,’ zei Hella. ‘Kom binnen.’
In het huis was het niet zo warm. Het haardvuur gloeide, want het hout was vochtig en rookte. Hella zette haar gast aan tafel en gaf hem een stuk oud brood, een kopje reuzel, een paar knollen die ze in het bos had gevonden, en een handvol verdroogde bessen.
De tovenaar was hongerig dus hij at het eten snel op.
Daarna bracht Hella hem naar de achterkant van haar huis, waar ze een bed had gemaakt van gras en bladeren. Zelf sliep ze in haar eigen bed en dagdroomde nog zeker een uur over haar naderende rijkdom.
De volgende ochtend gaf ze de tovenaar een glas melk aangelengd met water, en een kom met eikels, beukennoten, en een stuk of wat muizenkeutels, maar die had ze in haar haast niet gezien.
Ongeduldig wachtte ze bij de voordeur tot de tovenaar zijn mantel had aangetrokken.
‘Dank u wel voor de gastvrijheid,’ zei de tovenaar en kneep zijn ogen samen.
‘Tot uw dienst,’ zei Hella.
Buiten draaide de tovenaar zich om. Hij zei: ‘Wat u vandaag als eerste doet, zult u de rest van de dag doen.’
Hella was zo verrukt dat ze in haar handen klapte. En nog een keer. En nog een keer. En nog een keer. De rest van dag heeft Hella in haar handen geklapt.

NB  Ik heb dit verhaal ooit gehoord en zelf bewerkt. Ik ben nog op zoek naar de originele titel en auteur.

Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction and tagged , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s