De taxirit

Het licht van de taxilampen glijdt over de natte straat. Ze steekt haar hand op, bevend, klemt met haar andere hand haar tasje tegen zich aan.
‘Waarnaartoe?’ Het accent is buitenlands, maar ver weg, van iemand die op school Nederlands heeft geleerd.
‘Het vliegveld,’ zegt ze zo kordaat mogelijk.
De chauffeur stapt uit en houdt de achterdeur voor haar open.
‘Ik wil graag voorin,’ zegt ze terwijl ze naar de stoep staart. ‘Ik word snel wagenziek.’
‘Ook goed,’ zegt de chauffeur en laat haar voor in stappen.
Ze zakt weg in de stoel die stevig en veilig om haar lichaam sluit. De geur van leer en dennen cirkelt langs. Warme lucht omhelst haar verkleumde voeten, die gestoken zijn in fragiele ballerina`s. Bij haar slaap kriebelt een pluk haar. Vlug duwt ze die onder haar hoofddoek.
Zodra de chauffeur naast haar plaatsneemt en zijn handen op het stuur legt, herkent ze hem. Hasad.
Zijn zwarte baard ziet er aaibaar uit. Ze wil haar vingertoppen over zijn kaaklijn laten gaan en in zijn prachtige bruine ogen staren.
‘Dat is lang geleden,’ zegt hij en rijdt weg, zijn schouders licht opgetrokken maar misschien lijkt dat zo door de spieren.
Haar hart schiet op tot hoog in haar keel. Uitgerekend hij, op deze vervloekte dag, na al die tijd.
‘Ja,’ zegt ze. ‘Hoe is het met je?’
‘Goed,’ zegt hij en tuurt door de voorruit. De stoplichten springen op rood. Hij remt beheerst. Hij heeft de controle. Toch wringt er iets in hem want hij duwt zichzelf dieper in zijn stoel.
‘Het spijt me dat ik je heb laten zitten,’ zegt ze en weet dat dat het juiste is om te zeggen, hoewel haar lippen zo droog raken als schuurpapier.
Ze was zo bang geweest om hem pijn te doen. Ze was gewoon niet gegaan en had de minuten afgeteld in haar toilet totdat ze alle besef van tijd kwijt was geraakt. Op een gegeven moment voelde het niet alsof ze een afspraak had gemist.
Hasad trommelt op het stuur. Vanaf de dag dat ze hem ontmoet had was ze gefascineerd geweest door de kalmte die om hem heen lijkt te hangen, maar als je beter kijkt, niet meer is dan de houding die hij zichzelf geeft. Ze had haarzelf herkend. Ze had het fijn gevonden dat er iemand anders was die zich moest voelen als zijzelf, die misschien van alles had meegemaakt en daardoor in eerste instantie op afstand bleef. Uit zelfbescherming.
‘Je had kunnen bellen,’ zegt hij. ‘Ik heb lang zitten wachten.’
‘Sorry.’ Ze knijpt hard in de stugge stof van haar tasje.
De dag na hun afspraak was hij niet op werk verschenen. Dat wist ze omdat ze zeker een keer per dag zijn stem op de gang hoorde. Hij had geen luide stem maar zijn enthousiaste gepraat bracht een lichtje in haar binnenste nog voordat ze zich realiseerde dat hij het was. Het gebeurde steeds vaker dat ze elkaar bij de ingang troffen en met hun fietsen aan de hand het laatste stukje naar het lab liepen. Het was verre van lang genoeg om een goed gesprek te voeren. Daarom had hij haar een keer gebeld.
‘Ga je op reis?’ vraagt hij. ‘ Omdat je naar het vliegveld wil.’
‘Nee.’ Bijna schampert ze maar ze slikt het in. ‘Ik ga mijn ex onthalen.’
Hasad bestudeert de weg. Fronsen doet hij niet, meesmuilen al evenmin.
‘Wat heeft hij gedaan om dat te verdienen?’ vraagt hij.
‘Ik moet de scheidingspapieren tekenen. Hij heeft een overstap. Zolang we nog officieel getrouwd zijn…’
Haar mond klapt dicht.
Hasad rijdt een rotonde. Even vangt de zijkant van de auto haar vermoeide lichaam op en drukt precies op een blauwe plek die niemand kan zien.
Weet je zeker dat je naar het vliegveld wil?’
‘Ik moet,’ zegt ze snel. ‘Omwille van mijn dochtertje…’
Ze had Sara bij haar moeder gebracht en gelogen dat ze met vriendinnen uit zou gaan. Sara spreekt nog steeds niet. De schooldokter had er geen punt van gemaakt. Ze kan knippen en plakken en puzzelen en doet altijd mee met de klas.
Hasad slaat harder dan nodig het rechterknipperlicht aan en parkeert tegenover een flatgebouw. Hetgeen dat wringt in hem grijpt om zich heen. Is hij kwaad? Teleurgesteld?
Ze probeert verder te verdwijnen in de omarming van de stoel. Ze was getrouwd met een zakenman om zijn huishouden te doen en zijn lusten te bedienen. Dat paste precies bij de persoon die ze destijds was. Bovendien stelde ze daarmee haar klapperende eierstokken gerust en de spookachtige stem in haar hoofd die bleef herhalen dat iedereen in een relatie was en zij niet.
”Waarom ben je niet komen opdagen?’ vraagt hij.
‘Ik was er niet klaar voor,’ zegt ze zacht. Ze had zichzelf beloofd geen genoegen te nemen met een ander dan haar ware. Dat was uiteraard voortgekomen uit ervaringen met mannen die niet haar ware waren. De belofte hield stand tot ze ontdekte dat ze nooit bij haar ware kon zijn zolang ze hem niet durfde laten merken dat ze van hem hield. Uit angst dat hij niet van haar hield.
‘Ik had je willen vertellen dat mijn moeder ziek was,’ zegt hij. ‘Ze had nog een paar maanden te leven.’
‘Het spijt me,’ fluistert ze. Tranen vechten zich een weg omhoog maar ze slikt ze weg. ‘Heb je nog een goede tijd met haar gehad?’
‘Ja.’ Hij zet de motor van de auto uit. De stilte die volgt is intens. ‘Ze heeft nog vijf weken geleefd. We hebben nog veel gedaan, ook met mijn broer en zus en hun kinderen. Maar ik had te veel vrij genomen. Er was ergens een regeltje dat zei dat ik ontslagen moest worden. Daarom ben ik nooit meer op werk verschenen.’
‘Het spijt me,’ zegt ze en zoekt verwoed naar meer om te zeggen. Haar hoofd is merkwaardig leeg.
‘Waarom draag je een hoofddoek?’ vraagt hij. Voor het eerst kijkt hij haar recht aan.
‘Dat is alleen voor vandaag,’ zegt ze. De groene cijfers in het dashboard vertellen haar dat ze nog tien minuten heeft om naar de afgesproken locatie op het vliegveld te komen. ‘Ik moet gaan,’ zegt ze. ‘Wil je verder rijden?’
Zwijgend start Hasad de auto.
‘Is jouw privéleven minder ingewikkeld?’ vraagt ze zo luchtig mogelijk.
‘Nauwelijks,’ zegt hij terwijl hij de afslag naar het vliegveld neemt. ‘Mijn ex heeft ons kind laten weghalen. Ze mocht niet trouwen met een man die seks heeft buiten een huwelijk en al helemaal niet een buitenechtelijk kind op de wereld zetten. Zij wilde wel. Ik heb haar nergens toe gedwongen. Maar haar familie vond mij de duivel.’
Ze herademde. Het was nog enkele tientallen meters voordat ze uit de taxi moest stappen. Hasad had haar ook niet gedwongen, hooguit haar meegesleept in zijn hartstocht na de Oudjaarsborrel, na de uitgelopen vergadering van het team labveiligheid, en op een vrijdag toen iedereen al naar huis was.
‘Wat verschrikkelijk,’ zegt ze uiteindelijk en wil hem bemoedigend aankijken, maar hij stapt al uit om de deur voor haar open te houden.
‘Zal ik op je wachten?’ vraagt hij. Zijn stem is geladen met iets jongensachtigs.
‘Dankjewel,’ zegt ze en begint te lopen richting de drukte, waar voetgangers en bussen elkaar kruisen. De ogen van Hasad branden in haar rug. Ze zal hem straks vertellen dat haar dochter van hem is.
Advertisements

About chb

Writer, scientist, puzzled by mankind.
This entry was posted in Fiction and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.

Please leave a comment after reading:

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s