Voorgelezen in Milonga – Vlucht uit het ‘ziekenhuis’

‘Geef haar een dosis,’ zegt Andreas gejaagd en hij wijst op mij.
Philippa begint een injectienaald te vullen. Doet ze die altijd zo vol? Is dit de pijnstiller die ik elke dag krijg? Ineens word ik overrompeld door paniek. Laten ze me alsnog achter nu de SE elk moment binnen kan vallen maar krijg ik als troost een spuitje richting het hiernamaals?
‘Wat gaan jullie doen?’ roep ik.
Philippa pakt mijn arm. Angstig sla ik de naald uit haar handen.
Met een gezicht als uit marmer gehouwen raapt ze de naald op. ‘Andreas?’
Hij stelt zich op aan de andere kant van het bed. Dit is de eerste keer dat ik echt bang ben voor hem. Ik worstel al voordat zijn groezelige handen me in een ijzeren greep houden.
Philippa injecteert mijn arm. ‘Rustig,’ zegt ze. Dan begint ze het infuus te ontkoppelen.
‘We gaan hier weg,’ zegt Andreas en hij laat me los.
De seconde dat ik denk dat ze me achterlaten vind ik een verborgen oerkracht waarmee ik overeind kom en mijn elleboog hard in de maag van Philippa duw. Ze slaat dubbel en botst met haar billen tegen de wastafel.
Andreas pakt mijn schouders en duwt me terug in mijn kussen. ‘We nemen je mee,’ zegt hij. ‘Maar je zal veel pijn hebben. Daarom krijg je een extra dosis.’
Zijn lippen vormen een ernstige streep. Meent hij het?
Philippa vervolgt zwijgend met het afsluiten van alle buisjes die op mijn lichaam zijn aangesloten. Ze plakt een groot plastic vel over mijn buik en rug. Haar bleke gezicht is nat van het zweet.
Ik vermijd het naar haar te kijken. ‘Sorry,’ zeg ik. ‘Dank je dat je me nog steeds helpt.’
Andreas trommelt ongeduldig op de reling van mijn bed. Gaat hij geen contact opnemen met iemand die ons kan helpen? Hiro bijvoorbeeld? Opeens wil ik niets liever dan Hiro zien. Met hem erbij komt alles goed.
Dan tilt Andreas me uit bed. Philippa zet mijn schoudertas op mijn schoot en kiepert er haastig een EHBO-doos en verschillende ampullen met vloeistof in. Ze gaat ons voor naar badkamer. Achter het douchegordijn is een schuifdeur. We komen uit in een smalle gang met rekken vol grote, glazen bakken en potten. De meeste zijn leeg, maar in sommige drijven dieren of ledematen.
Ik zoek naar harde stemmen, of schoten, verwacht elk moment dat we naar de grond duiken. Afgezien van het zoemen van de afzuiging hoor ik niets.
Andreas en Philippa praten niet. Ik hoor alleen zijn snuivende ademhaling vlak boven me. Haar zompige voetstappen naast me. Ik probeer te ontdekken waar we zijn. Overal flitsen geblindeerde ramen. We dalen tot het koud wordt. De zware, vochtige lucht trekt rillingen door me heen.
De pijnstiller begint mijn zintuigen te verdoven. Als eerste verdwijnt mijn zicht. Ik geef me over aan de verende tred van Andreas. Soms zoeven er auto`s voorbij. Of bromvliegen.
‘Luister goed, Zoey, of Helena, of hoe je ook heet,’ zegt Andreas. ‘Ik ga je ergens neerleggen maar ik stuur Marten om je te halen.’
Zijn stem is amper een gemompel.
‘Zoey?’
Ik vraag me af tegen wie hij praat.
‘Waarom doe je zo veel moeite voor die meid?’ vraagt Philippa. Haar stem echoot.
Andreas antwoordt: ‘Ze is de dochter van Viktor Van.’
Een zwarte kubus slinkt rondom mij, door mijn poriën, in mijn oren, en duwt mijn hersenen opzij, maar niet voordat ik word verwarmd door een gloed van herkenning. Viktor Van was mijn vader.

Advertisements
Posted in Fiction | Tagged , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Een kermis onder de hemel #MoonYAContest

Proloog
Elke dag kwam papa net voor het eten thuis. Dan knuffelde hij me en tilde me zo hoog dat ik bijna het plafond raakte. Het meest hield ik van zijn baard, die kriebelde en zacht was tegelijk. Op een dag was hij er niet.
Mama bestudeerde de kaart waarop blauwe stipjes knipperden. Zo kon ze zien waar papa was, en opa, oma, haar vriendinnen en haar baas. Papa`s stipje was niet op de kaart. Mama drukte op het gekke halve maan vormpje. Ze praatte met een meneer op het scherm. Ik was gefascineerd door een ader in zijn nek die golfde en klopte bij alles wat hij zei.
‘Het spijt me,’ klonk de man. ‘Hij is na de lunch niet teruggekomen.’
‘Heb je enig idee…?’
‘Hij praatte wel eens met mensen in de pauzes. Gaf ze bonnen, kreeg bonnen van hen. Snapt u?’
Mama`s lip trilde. Ze kokhalsde en rende naar het toilet.
Ik keek nerveus naar de deur. Misschien kwam papa nu.
Toen ging de bel. Mama greep mij vast als een stapel kleren en schoof me in de voorraadkast. ‘Stil!’ zei ze en ze sloot de deur.
In het pikdonker luisterde ik naar mama`s voetstappen, het knarsen van de scharnieren waarin de deur hing, de lijzige stem van buiten.
Ik was niet bang om in de kast te zijn. Er stonden alleen maar pakken met eten en de schoonmaakspullen. Mama praatte heel hard. De ander ook. Toch kan ik me maar één zin herinneren: ‘Morgenochtend om elf uur wordt hij geëxecuteerd.’
Daarna was het heel lang stil. Ik vroeg me af of mama was weggegaan. De deur viel dicht. Ik hoorde een bons en daarna schreeuwde mama harder dan een cirkelzaag.

Kinderen van geëxecuteerde personen hebben tachtig procent meer kans hebben om zelf ook geëxecuteerd te worden. Daarom moesten we onszelf kunnen beschermen. Ik was drie. We verhuisden naar opa en oma. Ik wist niet eens zeker of ik me wel herinnerde hoe papa`s stem klonk, of dat mijn brein een gedachtestem had verzonnen zodat ik af en toe met hem kon praten. Het plantte een zaadje in me. Ik moest iets doen.

Lees hier verder.

 

Posted in Fiction | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

De abortus van Kasienka

De abortus van Kasienka

I
‘Blijf je dood?’ vroeg ik aan het popje. Het lag in mijn hand. Het had afgestompte armpjes en beentjes in een bleek zalmroze. De oogjes waren een halve cirkel met een paar streepjes die wimpers voorstelden. De lipjes waren een hele lange S. Het had geen haar maar een soort toupetje dat alleen bovenop was vast gestikt. Het droeg een lapje stof in witte en groene strepen zodat het zowel een jongen als een meisje kon zijn.
‘Ik twijfel nog steeds,’ zei ik. ‘Dat is gek, want je bent er niet meer.’
`s Avonds kroop Bart bij mij onder de dekens. Ik trapte hem eruit.
‘Bitch!’ schreeuwde hij. ‘Wat doe je?!’
‘Ik draag de muts!’ zei ik.
‘Die draag je altijd!’
‘Kan ik ook niets aan doen!’ Een snik schroefde mijn keel dicht. Ik wist zeker dat al mijn emoties op mijn gezicht getekend waren, daarom verborg ik me onder mijn kussen.
Bart sloeg de deur dicht. De klap trilde door me heen.
‘Moet je die echt dragen?’ vroeg Sophie. Ze lag in het andere bed en droeg ook een muts.
Ik antwoordde niet.
Toen het grote licht uit was voelde ik me een klein, dom kind. Een angst groter dan ikzelf drukte me plat. Ik had een moeder kunnen zijn. Dan moest ik verantwoordelijk en kalm zijn.

II
Weken eerder kwam Sophie mijn kamer binnen. Door haar onderlip zat een metalen ringetje. Bart vond dat geweldig. Ik lag zwetend in bed. Mijn hele buik voelde ondersteboven. Sophie pakte mijn hand en kneep zachtjes. ‘We halen het weg, oké?’
Ik keek de hele rit naar mijn knieën. Een verschrikkelijke misselijkheid klotste door mijn lichaam. Het gebouw was een weeshuis met daaraan de praktijk. Aan het plafond zoemden oude, langwerpige lampen. Er was niemand anders en het was koud, maar er lagen dekens op de stoelen. Ik kroop zo diep mogelijk weg.
De dokter stelde zich voor als “Flawiusz”. Hij was rond de dertig en oogde vermoeid. Sophie duwde me door de deuropening het kantoor in. Ik sloeg mijn armen rond mijn buik, maar ik voelde niets, geen hartslag of trappende voetjes.
De wenkbrauwen van de dokter trokken ernstig samen toen hij begon te praten. Ik hoorde er niets van. Mijn tong plakte als een afgestorven homp vlees tegen mijn gehemelte.
De dokter vroeg: ‘Wanneer heb je seks gehad?’
‘Bijna de hele tijd sinds ik bij Sophie woon,’ zei ik.
Hij wisselde een blik met Sophie. ‘We zijn een woongroep,’ legde ze uit.
‘Jullie zijn allemaal twaalf of ouder?’
‘Ja.’
Aan mij vroeg de dokter: ‘Waarom wil je het laten weghalen?’
Ik rechtte mijn rug. ‘Ik ben te jong om moeder te worden.’
De dokter knikte langzaam. Met de scanner reikte hij naar mijn pols.
Ik trok me terug en keek verschrikt naar Sophie.
‘Het is goed,’ zei de dokter. ‘Ik help je graag, ook al ben je… ongeregistreerd.’

III
Achterin het kantoor was een badkamer. Door de muren heen hoorden we de weeskinderen spelen.
De dokter liet het bad vollopen met warm water.
Hij zei: ‘Je mag je omkleden.’
Sophie hielp me zwijgend in een bleek blauw hemd. Haar gezicht was vlekkerig in het felle licht.
Langzaam zakte ik onder water. Een uur geleden had ik een pil geslikt en een spuitje gekregen vlak naast mijn ruggengraat. De eerste krampen trokken door mijn buik. Overal zag ik bloed. Ik wilde mezelf bedekken. Het water klotste.
‘Sst,’ zei Sophie.
De dokter zat op een stoel en wreef over zijn nek. ‘Ik zal jullie anticonceptie meegeven. En dit.’
Hij trok een la van zijn bureau open en gaf me het popje. ‘Geef het een naam,’ zei hij.

IV
Op mijn eerste dag in de woongroep sneed Bart de chip uit mijn pols. ‘Je bestaat niet langer,’ zei hij grijnzend.
‘Maak je niet druk,’ zei Sophie. ‘Wij zullen goed voor je zorgen.’
We woonden in een huis achter een huis. Onze voordeur was de ingang van het wasmachinehok. We gebruikten het als halletje. Ik mocht niet naar buiten, alleen op de binnenplaats. Dan zat ik op het stukje gras en beeldde me in dat ik in het park was.
Ik wilde niet meer op straat wonen. Daarom maakte ik schoon, kookte, streek wasgoed. De jongens waren lief voor me. Ze knuffelden me, streken over mijn haar, gaven me snoep. Sophie legde me uit wanneer ik de muts moest dragen. Daarna sliepen de jongens ook in mijn bed.
De middelste plank van de kast in onze slaapkamer was van Sophie. Ze liet me haar twee popjes zien.

V
Ik lag al de hele dag op bed met het popje. Het had nog steeds geen naam.
Bart stond in de deuropening. ‘Voel je je beter?’ vroeg hij. Meestal had hij kuiltjes in zijn wangen maar nu niet.
‘Ik wil niet dat je in mijn bed slaapt,’ zei ik.
‘Ik kan niet op de bank,’ zei hij. ‘En eigenlijk is dit mijn bed.’ Hij aaide mijn hoofd. Toen tilde hij me samen met de deken op en droeg me naar de binnenplaats. De lucht was warm en rook naar zand en zonnebrand.
We zaten op het gras met onze rug tegen de hete stenen.
‘Ik was zwanger,’ zei ik.
Hij zei: ‘Het was ook mijn kind.’
En ik zei: ‘Het kan ook van één van de anderen zijn.’
Hij zei: ‘Ik denk dat het van mij was.’ Hij ademde diep in en uit en drukte kusjes op me.
Ik hield hem het popje voor en vroeg: ‘Hoe wil je het noemen?’
‘Je moet het geen naam geven,’ zei hij. ‘Anders blijft het je achtervolgen.’
Ik luisterde naar zijn hartslag. Die was wild en onregelmatig. Bart wilde nog geen vader zijn.
Ik verborg het popje in mijn BH. Het zou oneindig lang dood blijven. Langer dan ik zou leven. Dat voelde zo definitief.
Het was na middernacht toen Bart me naar bed bracht. Hij rolde naast Sophie. Toch voelde ik hem naar me staren. Ik begon na te denken over een naam.

Vind je dit verhaal leuk? Stem op mij in de Edito schrijfwedstrijd: https://mijn.editio.nl/schrijfwedstrijd/de-abortus-van-kasienka/

Posted in Fiction, PP side-stories | Tagged , , , , , , , | Leave a comment