Rivierenlandschap Wageningen III

ik word bekeken
door de grazende koeien
op zondagochtend

verborgen kikkers
begeleiden mijn stappen
op zondagochtend

hoog en opzichtig
draait de wind de bladeren
het groene tot wit

tussen groen en wit
verbergen zich gele knopjes
naakt en bloesemloos

Advertisements
Posted in Poetry | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

Kompas

hij droeg een kompas op zijn hoofd
het wijzertje was een wispelturig wijzertje
het wees dan weer hier en dan weer daar
hij liep alle wegen tot aan het einde en weer terug
maar lang niet alle wegen hadden een einde
dus hij liep in bochten en afslagen eindeloos
de hele wereld rond

hij kwam een meisje tegen
op haar wang stond een pijltje
het wees omhoog
hij liet het meisje op zijn schouders
en zij plukte voor hem een ster

hij liep naar huis met de ster onder zijn arm
thuis liet hij de ster op boven zijn huis
voor later,
als hij zijn richting begreep

Posted in Poetry | Tagged , , , , , | Leave a comment

Voorgelezen in Milonga II – intro winddans en Hoadley

Na de les bleef Adama als enige achter in de danszaal. ‘Goed gedaan, Adama’, zei Raeka. ‘Maar blijf oefenen als je wilt meedoen met de uitvoering. Tot ziens.’
‘Tot ziens’, zei Adama en zakte op de grond. Ze moest blijven oefenen om mee te doen met de uitvoering? Maar ze wilde in de selectieklas!
Ze had met Raeka geregeld dat ze na de les mocht oefenen omdat ze de extra training niet kon betalen. De installatie stond aan met de muziek voor aarddans onder de keuzeknoppen. Ze dwong zichzelf overeind en oefende de choreografie tot waar ze geleerd hadden. Ze kwam drie tellen te laat uit. Haar spiegelbeeld lachte haar uit. Die onhandige benen van haar ook! Die stramme armen! “Iedereen kan aarddansen”, had Raeka gezegd bij de eerste les. “Alleen sommige moeten harder werken dan anderen.”
Adama staarde naar haar handpalmen. Die waren rood en gebarsten. Haar benen wilden niet goed als ze de figuren op de grond moest doen. Eigenlijk vond ze alle bewegingen in aarddans onnatuurlijk aanvoelen.
Als ze hard bleef werken kon ze ook buiten de Stad op het Water gaan optreden. Ze kon naar een academie in een andere stad en beroemd worden. Dan kon ze hoog in de bergen wonen, waar geen zee was, waar de grond en het water schoon waren.
Dat was haar oorspronkelijke plan. Maar met aarddans zou dat haar niet lukken. Daarom had ze haar plan veranderd.
Ze controleerde eerst of de nooddeur niet op een kier stond. Daarna controleerde ze of de kleedkamer leeg was. Er was ook niemand op de gang. Ze hoorde niets behalve het zachte fluiten van de pijpen. Met bonzend hart liep ze naar de muziekinstallatie.
Op de bronzen knoppen stonden de vier basisdansen gegraveerd. Aardedans, waterdans, vuurdans, en winddans. Ze drukte op de knop met “winddans” en koos het eerste nummer. De tonen waren glijdend, nodigden niet uit om te verbinden met de aarde maar juist om te zweven, hoog en licht.
De eerste passen voelden gevaarlijk. Adama was bedacht op voetstappen, stemmen, openslaande deuren. Ze durfde zich de eerste paar minuten niet over te geven aan dat euforische gevoel dat haar optilde en haar voeten deed draaien, strekken, bijhalen, strekken, bijhalen, draaien, dubbel draaien. De muziek zocht uitwegen in haar armen, helemaal tot in het puntje van haar vingertoppen, omhelsde haar zodat ze bescheiden passen maakte die dansende mugjes voorstelden, of het wiegen van bomen, of de glijvlucht van een losse veer. Ze verloor elk gevoel voor tijd en stopte alleen omdat haar spieren compleet uitgeput voelden.
Thuis had ze een boek over winddans. Ze kende alle figuren. Al bijna een jaar oefende ze na de les voor aarddans vooral winddans.
Adama liep opnieuw naar de installatie en zette de muziek terug naar aarddans. Ze dwong zichzelf de choreografie nog een paar keer te oefenen tot ze door een paar tellen van het stuk op de grond over te slaan, op tijd uitkwam voor de serie voetpassen. Haar uur was om. Met tegenzin kleedde ze zich weer om.
Het was stil in de dansschool toen Adama naar de uitgang liep. Hoadley dweilde de gang. Hij zwenkte een mop over de houten planken met een precisie die ze zelf nooit kon opbrengen. Na een paar zwenken doopte hij de mop weer in de emmer en wrong het water eruit.
Toen Adama en haar moeder de dansschool voor het eerst bezocht hadden om het inschrijfformulier te tekenen, had haar moeder gefluisterd dat Hoadley “van dattum” is. Dat betekende: dat hij “van de andere kant was”, op mannen viel. Terwijl ze in de rij stonden probeerde Adama te ontdekken hoe haar moeder dat had gezien. Hoadley had stroachtig haar en een onbestemde leeftijd; hij kon achttien zijn, of achtentwintig, of achtendertig. Zijn ogen glansden vriendelijk als de parels in de etalage van Gin’s, met het bleekste grijs rondom pupillen zo groot en alert dat ze vast alles zagen. In zijn oorlellen droeg hij zilverkleurige ringetjes met links een groenig kristal eraan en rechts een gelig, alsof hij die ooit in de bleek had laten vallen.
Ze had haar gegevens ingevuld en het formulier terug gegeven. En ergens dieper in haar was er iets gebeurd, een bibbering die zich had uitgestrekt tot in het zachte weefsel van haar keel en daar een klein fladderend iets had los gelaten dat ze maar niet weg kon slikken.

Posted in Fiction | Tagged , , , , , , , | Leave a comment